Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
200306727/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 4 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: het college) bouwvergunningen geweigerd voor het plaatsen van een of meer posterdisplays op de percelen Glacisweg 21-25, Herculeshof 19, Roserije 329, Stationsplein 1c, Stationsstraat 60, Akersteenweg 90, Keurmeestersdreef 121A, Malmbergplein 10-11, Frankenstraat 118, Ambyerstraat Noord 38, Sint Annalaan 52A en Voltastraat 44 in de gemeente Maastricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200306727/1.

Datum uitspraak: 19 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Totempaal Media B.V., gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 17 september 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 4 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: het college) bouwvergunningen geweigerd voor het plaatsen van een of meer posterdisplays op de percelen Glacisweg 21-25, Herculeshof 19, Roserije 329, Stationsplein 1c, Stationsstraat 60, Akersteenweg 90, Keurmeestersdreef 121A, Malmbergplein 10-11, Frankenstraat 118, Ambyerstraat Noord 38, Sint Annalaan 52A en Voltastraat 44 in de gemeente Maastricht.

Bij besluit van 6 februari 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft de motivering van het advies van de welstandscommissie, het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard en de besluiten van 4 juli 2002, voorzien van een per locatie uitgebracht welstandsadvies, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 17 september 2003, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 8 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 9 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 december 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. S.J. van Leeuwen, advocaat te ‘s-Gravenhage, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.E.J.M. Vorstermans-Rompelberg en ing. J.W.H. Spronck, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat zij in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet in de gelegenheid is gesteld voordat op haar bezwaar werd beslist kennis te nemen van en te reageren op de nader uitgebrachte welstandsadviezen. Van nieuwe feiten of omstandigheden die na het horen bekend zijn geworden en die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang konden zijn, is geen sprake. De twaalf adviezen die de welstandscommissie per locatie heeft uitgebracht na het horen van appellante bevatten geen nieuwe feiten of omstandigheden en wijken wat betreft de inhoud niet wezenlijk af van het eerder uitgebrachte welstandsadvies voor de twaalf locaties gezamenlijk. De wijze van besluiten heeft de rechtbank evenmin in strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel behoeven te achten. Appellante had de mogelijkheid in beroep bij de rechtbank nog met een deskundig tegenadvies te komen.

2.2. Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de welstandsadviezen niet in strijd zijn met het gemeentelijke beleid inzake reclame en voldoen aan de daaraan te stellen eisen, faalt eveneens.

De aanvragen zijn getoetst aan de “Nota architectuur-, monumenten- en welstandsbeleid gemeente Maastricht”. De enkele omstandigheid dat op grond van het daarin verwoorde beleid reclames in principe beperkt dienen te blijven tot een zone tussen begane grond en eerste verdieping, en de posterdisplays op de begane grond zijn geplaatst, betekent niet dat de situering van de displays van appellante daarmee voor het overige voldoen aan het beleid. Verder voert het college weliswaar een terughoudend reclamebeleid, maar appellante heeft niet aannemelijk gemaakt noch is de Afdeling anderszins gebleken, dat toepassing van dat beleid ertoe leidt dat op de aan de orde zijnde locaties in het geheel geen reclameobjecten kunnen worden geplaatst.

Voorts mag het college in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen aan het welstandsadvies. Het overnemen daarvan behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundige of het uitgebrachte advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dat niet – of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit laatste zich hier voordoet, noch is de Afdeling daarvan gebleken. Met name kan niet worden geoordeeld dat de per locatie uitgebrachte adviezen onvoldoende ingaan op de specifieke situatie van de verschillende locaties. Voorts heeft appellante noch in de procedure bij het college noch in de procedure bij de rechtbank een tegenadvies van een deskundige overgelegd ter ondersteuning van haar standpunt dat haar aanvragen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

2.3. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat door het volgen van de welstandsadviezen de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die de bestemmingsplannen voor de verschillende locaties toestaan, niet wordt belemmerd. De welstandstoets dient zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, omdat dit plan hèt wettelijke instrument is, waarmee, langs de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming wordt gegeven en voorts de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Uit het algemeen karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd. Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om een bouwplan te realiseren, heeft het college van burgemeester en wethouders – met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan – meer beoordelingsruimte om in het kader van de welstandsbeoordeling een ter beoordeling voorliggend bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand te achten zonder dat dat oordeel geacht moet worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Indien echter uit de voorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zulk een keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is – met name indien de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven - , vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven. In dat geval wordt de grens van de welstandstoets eerder overschreden.

In de bestemmingsplannen voor de onderscheiden aan de orde zijnde locaties zijn geen beperkende voorschriften opgenomen ten aanzien van de situering van reclameobjecten. Uit de planvoorschriften en de systematiek van die bestemmingsplannen kan niet worden afgeleid dat de planwetgever binnen de bebouwingsgrenzen heeft beoogd de precieze situering te geven voor reclameobjecten. Er bestaan verschillende mogelijkheden om reclameobjecten te realiseren. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de in het bestemmingsplan opengelaten mogelijkheid voor situering van reclameobjecten op de door appellante voorgestane wijze moet worden gerespecteerd en bij de welstandstoets als een dwingend gegeven dient te gelden.

2.4. Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij voor het beroep op het gelijkheidsbeginsel alleen heeft gewezen op niet-bouwvergunningplichtige reclameobjecten, faalt eveneens. De rechtbank heeft geoordeeld dat zowel wat betreft de uitstallingen die niet bouwvergunningplichtig zijn als wat betreft de uithangborden en lichtzuilen waarnaar appellante verwijst, gelet op vormgeving, afmetingen, materiaal en plaats van bevestiging daarvan, niet kan worden gesproken van gelijke gevallen. Voorts was het college ter voldoening aan het gelijkheidsbeginsel niet gehouden in strijd met de wet bouwvergunning te verlenen voor aanvragen die niet voldoen aan redelijke eisen van welstand.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Nolles

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004

xx-291.