Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9687

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
200301731/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2001 heeft de gemeenteraad van Smallingerland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 juni 2001, het bestemmingsplan "Drachtstervaart" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.4
Besluit milieueffectrapportage
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/4

Uitspraak

200301731/1.

Datum uitspraak: 19 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging "Het Drachtster Bos", gevestigd te Drachten,

2. [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. de vereniging "Vogelwacht "It Sud en Omkriten" Drachten-Beetsterzwaag”, gevestigd te Drachten,

5. [appellanten sub 5], beide gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2001 heeft de gemeenteraad van Smallingerland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 juni 2001, het bestemmingsplan "Drachtstervaart" vastgesteld.

Bij besluit van 13 februari 2002, kenmerk 476717, ondertekend door verweerder, is beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij (aangehechte) uitspraak van 14 november 2002 in zaak no. 200201188/5 heeft de Afdeling dit besluit vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 februari 2003, kenmerk 513631, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 16 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2003, appellanten sub 2 bij brief van 31 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2003, appellant sub 3 bij brief van 17 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2003, appellante sub 4 bij brief van 3 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2003, en appellanten sub 5 bij brief van 14 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 16 oktober 2003 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2004, waar appellanten sub 2 in de persoon van [gemachtigde], appellant sub 3 in persoon en bijgestaan door mr. H.J.A. van Hoogmoed, appellante sub 4, vertegenwoordigd door G. Pal en A. Koets, gemachtigden, appellanten sub 5 in de persoon van [gemachtigde] en verweerder, vertegenwoordigd door drs. K. van Stralen en mr. Y. Kingma, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn aldaar namens de gemeenteraad mr. E. Ridder, ing. N.J. Hoek en ing. E.G. Gommers, ambtenaren van de gemeente, en F. Vossen, gemachtigde, en namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Vastgoed Noord Ontwikkeling en Realisatie B.V.” mr. J. Hoekstra, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Appellante sub 1 is, met bericht, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plangebied betreft een langgerekte strook gronden langs de Drachtstervaart en strekt zich uit van de rivier De Drait in het westen tot aan het centrum van Drachten in het oosten. Met het plan wordt beoogd de ontwikkeling van ongeveer 800 woningen mogelijk te maken. Voorts voorziet het plan onder meer in het weer opengraven van de Drachtstervaart tot in het centrum van Drachten en in een nieuwe verbinding van de Drachtstervaart met het Gaasterdiep en De Drait.

Verweerder heeft het plan bij het bestreden besluit goedgekeurd. Het eerdere goedkeuringsbesluit van 13 februari 2002 is op formele gronden door de Afdeling bij uitspraak van 14 november 2002 in zaak no. 200201188/5 vernietigd.

2.3. De vereniging "Het Drachtster Bos" (hierna: Het Drachtster Bos) stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen ten zuiden van de Drachtstervaart en grenzend aan het industrieterrein De Haven die zien op gronden met de bestemmingen “Uit te werken woondoeleinden 1 –UW 1-“, “Uit te werken woondoeleinden 2 -UW 2-“ en “Uit te werken woondoeleinden 3 –UW 3-“ (hierna ook aangeduid als respectievelijk “-UW 1-”, “-UW 2-“ en “-UW 3-“).

Het Drachtster Bos acht het realiseren van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de nieuwe woonwijk niet haalbaar gelet op de te verwachten geur- en geluidhinder van de (toegelaten) bedrijvigheid op het industrieterrein. Zij voert voorts aan dat de planontwikkeling negatieve gevolgen heeft voor het Drachtster Bos als wandel- en recreatiegebied en de verkeersintensiteit op de ontsluitingswegen en stelt verder dat ten onrechte geen aandacht is besteed aan planschadeclaims.

2.3.1. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze plandelen goedgekeurd. Hij is van mening dat voldoende rekening is gehouden met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de nieuwe woonwijk. Wat betreft het verkeerslawaai vanwege de ontsluitingswegen verwacht verweerder, gelet op het akoestisch rapport, geen problemen. Verder komen ter plaatse geen specifieke natuurwaarden voor. Ten slotte acht verweerder de financiële uitvoerbaarheid van het plan gewaarborgd.

2.3.2. Het grootste gedeelte van het plangebied bevindt zich binnen de voor het ten noorden van de Drachtstervaart gelegen industrieterrein De Haven vastgestelde zonegrens industrielawaai. Met die zone wordt het gecumuleerde geluidimmissieniveau van 50 dB(A) vanwege alle bronnen binnen het gezoneerde industrieterrein vastgelegd.

Op 6 november 2001 is het bestemmingsplan “Industrieterrein De Haven, 4e herziening” vastgesteld. Dit plan is door verweerder op 18 februari 2003 geheel goedgekeurd en het tegen het goedkeuringsbesluit ingestelde beroep is door de Afdeling bij uitspraak van 17 december 2003 in zaak no. 200301683/1 (www.raadvanstate.nl) ongegrond verklaard. Met dat plan is ten behoeve van het industrieterrein De Haven een systeem van interne milieuzonering met milieucategorieën aangebracht op grond van de systematiek van de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Met deze zonering wordt beoogd beperkingen te stellen aan de aard van de toe te laten nieuwe bedrijfsactiviteiten op het industrieterrein, teneinde te voorkomen dat aldaar bedrijven worden gevestigd die een aanmerkelijke milieuoverlast voor bestaande en toekomstige woongebieden in de omgeving van het industrieterrein kunnen veroorzaken. Uitgangspunt bij de milieuzonering is dat alle bestaande bedrijfsactiviteiten die op grond van wetgeving en vergunningen op het industrieterrein waren toegestaan, moeten kunnen worden voortgezet.

2.3.3. De nieuwbouw van de woningen is voorzien op gronden die grotendeels binnen de aangegeven 50 dB(A)-contour van het industrieterrein De Haven zijn gelegen. Ingevolge artikel 46 van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) mag de voor woningen binnen deze zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel vanwege het industrieterrein 50 dB(A) bedragen. Bij besluit van 10 mei 2001 heeft verweerder ingevolge artikel 47 van de Wgh voor maximaal 750 woningen een hogere grenswaarde van 55 dB(A) vastgesteld. Voorts is voorzien in het realiseren van geluidwerende voorzieningen ten noorden van dan wel aan de noordzijde van de gronden die een voor woondoeleinden uit te werken bestemming “-UW 1-”, “-UW 2-” en “-UW 3-” hebben gekregen. Verder wordt in de planvoorschriften uitgegaan van geluidsafschermende bebouwing en voorzieningen alsmede woningen met geluiddove gevels. Niet is gebleken dat hiermee niet voldaan kan worden aan het bepaalde in de Wgh.

2.3.4. Inzake de gestelde geurhinder overweegt de Afdeling dat geuronderzoek is verricht door Haskoning Ingenieurs- en Architectenbureau. De resultaten daarvan zijn opgenomen in de rapporten “Geuronderzoek Drachtstervaartproject“ van november 1997 en “Snuffelploegmetingen Drachtstervaartproject” van 16 oktober 1998. Uit de rapporten kan worden afgeleid dat een gerede kans op geurhinder ter plaatse van de desbetreffende plandelen aanwezig is. De geurhinder wordt met name veroorzaakt door het op het industrieterrein De Haven gevestigde veevoederbedrijf Agrifirm B.V..

In het kader van de besluitvorming is verweerder uitgegaan van een maximale norm voor geurbelasting van 2,0 geureenheden/m3 als 98-percentiel waarbij nog van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gesproken. Deze normstelling komt overeen met de geurnorm vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijnen, Bijzondere Regeling Geur voor de Mengvoederindustrie. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in de bestemmingsplanprocedure niet van deze norm als maximum voor de geurbelasting heeft kunnen uitgaan.

In de aan Agrifirm B.V. verleende milieuvergunning is als voorschrift bepaald dat de door de inrichting veroorzaakte geuremissie voor woningen gelegen buiten het industrieterrein 98 % van de tijd niet meer mag bedragen dan 2 geureenheden/m3. Aangezien deze normstelling ook van toepassing moet worden geacht op de buiten het industrieterrein nog te bouwen woningen, heeft verweerder er van uit kunnen gaan dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse in voldoende mate is gegarandeerd. In geval van overschrijding van de norm kan immers worden verzocht om handhaving. Overigens is nog uit de stukken gebleken dat het treffen van geurreducerende maatregelen bij Agrifirm B.V. niet uitgesloten moet worden geacht.

2.3.5. In de planontwikkeling is voorzien dat de bestaande wijkontsluitingsweg De Lauwers ook een ontsluitingsfunctie zal krijgen voor een groot gedeelte van de voorziene nieuwbouw. Hiertoe zijn op de plankaart nadere aanwijzingen gegeven.

Volgens de plantoelichting zal de verkeersintensiteit op De Lauwers toenemen van 9.700 motorvoertuigen per etmaal in 1999 tot 15.700 motorvoertuigen per etmaal in 2012. Deze toename wordt voornamelijk toegerekend aan de autonome groei van het wegverkeer. De toename als gevolg van de voorziene nieuwbouw wordt gesteld op ongeveer 1.400 motorvoertuigen per etmaal. Gelet hierop alsmede op de functie van de weg heeft verweerder aan de te verwachten groei van de verkeersintensiteit geen groot gewicht behoeven toe te kennen.

Bij de voorbereiding van het plan is voorts akoestisch onderzoek verricht. Hierbij zijn voor de gevels van vijftien bestaande woningen de huidige (2001) en toekomstige (2012) gevelbelastingen berekend. Uit dit onderzoek blijkt dat tot 2012, mede met toepassing van geluidsarm asfalt, de toename van de geluidsbelasting op de desbetreffende gevels niet groter zal zijn dan 1 dB(A). Niet is gebleken dat het plan voorziet in een reconstructie als bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Verweerder is er terecht van uitgegaan dat de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer niet substantieel zal toenemen.

2.3.6. Over de vrees voor een aantasting van het ongeveer vijftien hectare grote bosgebied tussen de bestaande woonwijk Sydwende en de Zuiderhogeweg overweegt de Afdeling dat dit gebied volgens het deskundigenbericht grotendeels is gelegen buiten het plangebied. Alleen ten behoeve van de aanleg van een ontsluitingsweg voor de voorziene nieuwbouwwijk is ter plaatse voorzien in een strook gronden met een breedte van ongeveer acht meter. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat de planontwikkeling zal leiden tot ingrijpende gevolgen voor het bosgebied.

2.3.7. Wat betreft het bezwaar dat in de planexploitatieopzet onvoldoende rekening is gehouden met de vergoeding van planschade, overweegt de Afdeling als volgt.

Blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985) ligt het in de rede bij het onderzoek met betrekking tot de financiële uitvoerbaarheid van het plan aan mogelijke planschade aandacht te besteden, indien de planschade op voorhand is te voorzien. Uit de stukken blijkt dat de gemeenteraad in het kader van het haalbaarheidsonderzoek van 1999 onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke planschade. Uit dit onderzoek is gebleken dat een beperkt aantal toewijsbare planschadeclaims wordt verwacht.

Het Drachtster Bos heeft bij haar stelling dat planschade zal ontstaan, geen argumenten aangevoerd op basis waarvan thans moet worden aangenomen dat deze schade zich in de door haar gestelde omvang daadwerkelijk zal voordoen. Gelet hierop ziet de Afdeling in dit betoog van appellante geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het plan in strijd met artikel 9 van het Bro 1985 heeft goedgekeurd.

2.3.8. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plandelen met de bestemmingen “-UW 1-“, “-UW 2-” en “-UW 3-“ niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan deze plandelen.

Het beroep van Het Drachtster Bos is in zoverre ongegrond.

2.4. Het Drachtster Bos stelt voorts in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Geluidswal –Gg-“ dat ziet op gronden ten noorden van een gedeelte van de beoogde woningbouwlocatie. Zij merkt op dat de geluidswal aangelegd zal worden met de vrijkomende fractie van de voormalige in het plangebied gelegen stortplaats en dat de daarvoor benodigde milieuvergunning nog niet is verleend en het in dat kader vereiste milieu-effectrapport nog niet is gemaakt. Verweerder had om die reden nog niet over de goedkeuring van het plan mogen beslissen. Het storten van afvalstoffen is voorts strijdig met landelijk beleid en het recht. Ten onrechte is volgens haar in de planexploitatie geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de fractie naar elders moet worden afgevoerd. Ten slotte is ten onrechte geen stortplaatsbestemming aan de gronden toegekend, aldus appellante.

2.4.1. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het plandeel goedgekeurd. Hij verwacht dat voor de aanleg van de geluidswal een milieuvergunning kan worden verleend.

2.4.2. Ingevolge artikel 14, lid A1, van de planvoorschriften zijn de als “Geluidswal –Gg-“ aangewezen gronden bestemd voor geluidswallen en andere geluidsafschermende voorzieningen, andere groenvoorzieningen en paden, met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ingevolge lid A2, onder 1, dient realisering van deze bestemming te geschieden met inachtneming van het bepaalde in de Beschrijving in hoofdlijnen als omschreven in artikel 1 van de planvoorschriften. Ingevolge artikel 1, derde lid, onder f, geldt als uitgangspunt dat geluidsafschermende voorzieningen worden gerealiseerd tussen het industrieterrein De Haven en de geprojecteerde woningen. Ingevolge het vierde artikellid, onder j, wordt uitgegaan van de aanleg van een geluidswal met een minimale hoogte van 12,5 meter binnen de bestemming “Geluidswal –Gg-”.

De Afdeling stelt voorop dat niet in geding is dat de geluidswal met het van de voormalige stortplaats afkomstige materiaal dient te worden opgericht om de financiële uitvoerbaarheid van het plan te waarborgen en dat hiervoor een milieuvergunning dient te worden verleend.

Wat betreft het bezwaar van appellante dat verweerder ten onrechte ten aanzien van dit plandeel tot besluitvorming is overgegaan, overweegt de Afdeling dat verweerder gelet op artikel 28, tweede lid, van de WRO gehouden was tot het nemen van een besluit omtrent de goedkeuring van het plan. Hij kon zijn besluit niet afhankelijk stellen van het maken van een milieu-effectrapport ten behoeve van de milieuvergunning voor de wal.

De bezwaren van appellante tegen de milieuhygiënische gevolgen van de aanleg van de geluidswal moeten in de eerste plaats worden bezien in het kader van de vergunningprocedure(s) op grond van de terzake geldende milieuwetgeving. Dat neemt echter niet weg dat deze mogelijke gevolgen voor het milieu ook in het bestemmingsplan dienen te worden meegewogen. In dat kader moet ten minste aannemelijk zijn dat ten aanzien van het milieu geen onoverkomelijke problemen zijn te verwachten.

In dit geval is niet aannemelijk gemaakt dat verweerder, gelet op de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, op voorhand had moeten inzien dat geen milieuvergunning voor de geluidswal zou kunnen worden verleend. De omstandigheid dat nog geen milieu-effectrapport is gemaakt, doet daar in planologisch opzicht niet aan af. Voorts is niet gebleken dat regelgeving of landelijk beleid zich verzet tegen de beoogde aanleg van de geluidswal met gebruikmaking van afvalstoffen zonder dat daarin bij nadere besluitvorming kan worden voorzien. Verweerder kon er gelet hierop voorts van uitgaan dat de afvalfractie niet naar elders zou hoeven worden afgevoerd.

Voor de door appellante gestelde beperking tot een stortplaatsbestemming heeft verweerder ten slotte om redenen van een goede ruimtelijke ordening geen aanleiding behoeven te zien aangezien in planologisch opzicht de functie van geluidswal voorop staat.

2.4.3. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan dit plandeel.

Het beroep van Het Drachtster Bos is in zoverre ongegrond.

2.5. Het Drachtster Bos stelt voorts in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 5, lid A2, onder j, van de planvoorschriften en de aanduiding “haven” op gronden met de bestemming “Uit te werken woondoeleinden 2 –UW 2-“. Ten onrechte heeft voor de hiermee mogelijk gemaakte haven geen milieu-effectbeoordeling plaatsgevonden. De behoefte aan ligplaatsen komt volgens haar voorts niet overeen met de in het planvoorschrift gestelde 99 ligplaatsen.

2.5.1. Verweerder heeft geen reden gezien het planvoorschrift en de aanduiding in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft deze planonderdelen goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat een milieu-effectbeoordeling voor een havenfaciliteit met 99 plaatsen niet nodig is.

2.5.2. Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 worden als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet bepalen of een milieu-effectrapport moet worden gemaakt, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven. In onderdeel D van de bijlage wordt in categorie 10.3, voor zover thans van belang, bepaald dat beoordeeld dient te worden of een milieu-effectrapport dient te worden gemaakt, in het kader van het ruimtelijk plan dat als eerste voorziet in de mogelijke aanleg van een jachthaven met 100 ligplaatsen of meer.

Ingevolge artikel 5, lid A2, onder j, van de planvoorschriften mag op gronden met de bestemming “Uit te werken woondoeleinden 2 –UW 2-“ een jacht- of passantenhaven worden gerealiseerd met een omvang van ten hoogste 99 onoverdekte ligplaatsen. Op de plankaart is ter plaatse van het plandeel met deze bestemming de aanduiding “haven” weergegeven.

De Afdeling overweegt dat de planregeling voorziet in een havenfaciliteit die slechts één ligplaats kleiner is dan de hiervoor in het Besluit milieu-effectrapportage 1994 bedoelde grenswaarde. Niet is duidelijk geworden hoe, gelet op deze kleine marge, voorkomen wordt dat de grens van 100 plaatsen toch zal worden overschreden. Wat daarvan ook zij, ter zitting is gebleken dat de gemeenteraad heeft beoogd de mogelijkheid te bieden voor de aanleg van een haven met een bescheiden omvang voor boten met een staande mast. Hierbij wordt gedacht aan ongeveer 45 ligplaatsen, althans een aantal dat beduidend lager ligt dan het in het planvoorschrift vermelde aantal. Niet is gebleken van een reden het aantal ligplaatsen desalniettemin op 99 te stellen.

2.5.3. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het planvoorschrift en de aanduiding niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan op deze punten goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van Het Drachtster Bos is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op deze punten dient te worden vernietigd.

2.5.4. Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 5, lid A2, onder j, van de planvoorschriften en de aanduiding “haven” op de plankaart.

2.6. [appellanten sub 2], de vereniging "Vogelwacht "It Sud en Omkriten" Drachten-Beetsterzwaag” (hierna: de Vogelwacht) alsmede [appellanten sub 5]) stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Uit te werken woondoeleinden 4 –UW 4-“ (hierna ook aangeduid als “-UW 4-“) dat ziet op gronden ten noorden van de buurtschap Buitenstvallaat. De Vogelwacht komt voorts op tegen de met de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Verblijfsgebied -Vb-“ (hierna ook aangeduid als “-Vb-“) mogelijk gemaakte toegangsweg voor het vorenbedoelde plandeel.

Appellanten wijzen er op dat de bouwmogelijkheid niet in het ontwerpbestemmingsplan was opgenomen en dat de gemeenteraad de belangen niet voldoende heeft afgewogen aangezien hij bij de vaststelling van het plan niet op de hoogte was van het ecologisch onderzoeksrapport. Toegezegd is dat het gebied een groenbestemming zou krijgen.

Voorts zijn de ontwikkelingen volgens hen onnodig en strijdig met het provinciaal beleid alsmede, gelet op de aanwezigheid van belangrijke populaties van de grutto en tureluur, met het bepaalde in de Flora- en faunawet. De bouw van de woningen betekent volgens hen een aantasting van het open karakter van het gebied. [appellanten sub 5] vrezen hierdoor een waardedaling van hun woning en werf.

2.6.1. Verweerder heeft geen reden gezien de plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze goedgekeurd. Hij acht de invulling die aan het gebied wordt gegeven in overeenstemming met het provinciaal beleid en ook anderszins aanvaardbaar. Het gebied heeft volgens hem, mede door ontwikkelingen op aangrenzende percelen, een beperkte waarde voor weidevogels.

2.6.2. Ingevolge artikel 5, lid A2, onder y en z, van de planvoorschriften zijn de als “-UW 4-“ aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor woningen, erven, tuinen, steigers, water, groenvoorzieningen en verblijfsgebied en mogen ten hoogste drie vrijstaande woningen worden gebouwd. Ingevolge het bepaalde onder aa van het artikellid mogen de woningen uitsluitend worden gerealiseerd ten westen van de op de plankaart aangegeven “zonegrens industrielawaai”. Woningbouw kan aldus mogelijk worden gemaakt op gronden die ongeveer de helft beslaan van het plandeel met de bestemming –“UW 4-“. De als “-Vb-“ aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 20, lid A1, van de planvoorschriften onder meer bestemd voor wegen van niet-doorgaande aard.

2.6.3. Het bestemmingsplan is ten aanzien van deze plandelen ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigd vastgesteld. Uit de stukken blijkt dat de gemeenteraad de bouwmogelijkheid aan het plan heeft toegevoegd om te voorzien in een afronding van Buitenstvallaat bij de entree van de nieuwe vaarverbinding en dat de maatvoering is afgestemd op het karakter van de bestaande bebouwing in Buitenstvallaat.

De gemeenteraad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat sprake is van een wezenlijk ander plan, dient de wettelijke procedure, met inbegrip van de inspraak, opnieuw te worden doorlopen. De afwijkingen van het ontwerp zijn in dit geval naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt.

2.6.4. Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt dat aan het plandeel met de bestemming “-UW 4-“ een groenbestemming zou worden toegekend. Dat in het ontwerpplan aan het plandeel de bestemming “Groenvoorzieningen 2 -G2-“ was toegekend, doet hier niet aan af. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.6.5. In het kader van de door verweerder te verrichten toetsing dienen de betrokken belangen tegen elkaar te worden afgewogen.

Met de bouw van drie woningen wordt beoogd te voorzien in een afronding van Buitenstvallaat bij de entree van de nieuwe vaarverbinding.

Hier staat tegenover dat het gebied zich bevindt aan de westelijke rand van een weidevogelgebied dat zich in oostelijke richting uitstrekt tot buiten het plangebied gelegen bedrijfsgronden op het industrieterrein De Haven. Niet in geding is dat dit weidegebied van waarde is als weidevogelgebied voor de grutto, de tureluur, de scholekster en de kievit. Met name het aantal broedparen van de grutto en tureluur is hier per hectare hoger dan gemiddeld genomen over de provincie.

Door de aanleg van de verbinding tussen de Drachtstervaart en het Gaasterdiep en De Drait alsmede de voorziene aanleg van een geluidswal op gronden met de bestemming “Groenvoorzieningen 1 -G1-” en de verdere ontwikkeling van de gronden ten oosten van Buitenstvallaat tot industrieterrein zal het karakter van dit gebied in aanzienlijke mate veranderen. Uit de stukken blijkt voorts dat bij het achterwege blijven van beheer van het plandeel met de bestemming “-UW 4-“ in snel tempo verruiging zal optreden, waardoor ook dit gedeelte van het weidevogelgebied ongeschikt zal raken voor weidevogels.

Het vorenstaande doet er echter niet aan af dat, gelet op de aanwezige belangrijke natuurwaarden, afdoende onderzoek had moeten worden verricht naar de mogelijkheden tot het treffen van mitigerende maatregelen ter plaatse. Niet is gebleken dat deze mogelijkheden in voldoende mate zijn bezien. Verweerder heeft derhalve de natuurbelangen onvoldoende betrokken in zijn afweging.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen van [appellanten sub 2], de Vogelwacht alsmede [appellanten sub 5] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit op deze punten wegens strijd met artikel 3:2 Awb dient te worden vernietigd. De overige bezwaren behoeven, gelet hierop, geen verdere bespreking.

2.7. [appellant sub 3] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Wegverkeer –Vw-” dat ziet op gronden voor de Zuiderhogeweg en de plandelen met de bestemmingen “Verblijfsgebied –Vb-“ en “Waterweg -Vs(w)-“ die zien op gronden ter hoogte van zijn bedrijf aan het Moleneind. De bereikbaarheid van zijn bedrijf dat zich met name heeft toegelegd op het stofferen van bussen, komt met deze regeling in het geding.

2.7.1. Verweerder heeft geen reden gezien deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat het bedrijf in de nieuwe situatie bereikbaar blijft en dat kan worden voorzien in een mogelijkheid met een autobus de draai naar en van het perceel te maken.

2.7.2. Met het plan is mede ter hoogte van het perceel van appellant voorzien in de nieuwe aanleg van de Drachtstervaart. Het Moleneind bestaat in de oude situatie uit een rijbaan met een breedte van zeven à acht meter. Voorts bevinden zich langs de rijbaan parkeervakken met een breedte van ongeveer twee meter en een trottoir met een breedte van ongeveer drie meter. Het Moleneind zal volgens het plan fysiek worden gesplitst in een noord- en zuidzijde. Het perceel van appellant zal dan gelegen zijn aan de zuidzijde van de Drachtstervaart. Het plan brengt voorts een aanpassing van andere wegen, die van belang zijn voor de bereikbaarheid van het bedrijf van appellant, zoals de Zuiderhogeweg, met zich.

In dit verband dient ingevolge artikel 1, vierde lid, onder n, van de planvoorschriften bij de inrichting van een weg, indien een wegprofiel op de plankaart is aangegeven, het aangegeven profiel in acht te worden genomen.

2.7.3. Wat betreft de bereikbaarheid van het Moleneind zuidzijde is, gelet op het deskundigenbericht, niet aannemelijk gemaakt dat deze met de planregeling in het geding komt. Het plan maakt voldoende ruime rotondes mogelijk en ook de ontsluitingsweg langs de Zuiderhogeweg zal, gelet op het wegprofiel 3 op de plankaart waarmee is voorzien in een breedte van 6,1 meter, geschikt zijn voor zwaarder verkeer.

Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming “Wegverkeer –Vw-” niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan dit plandeel.

Het beroep van [appellant sub 3] is in zoverre ongegrond.

2.7.4. De als “-Vb-“ aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 20, lid A1, van de planvoorschriften bestemd voor wegen van niet-doorgaande aard, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, water, groen- en speelvoorzieningen alsmede voor nutsvoorzieningen. De als “Waterweg -Vs(w)-“ aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 18, lid A1, van de planvoorschriften bestemd voor het verkeer in en over water en voor de waterhuishouding, alsmede voor groenvoorzieningen, zoals bermen, met de daarbij behorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van onderhoud, steigers en aanlegplaatsen.

Gelet op de plankaart is op het Moleneind wegprofiel 2 van toepassing. Volgens dit profiel bestaat het Moleneind zuidzijde tot aan het water van de Drachtstervaart uit een voetpad van 1,3 meter, parkeervoorzieningen van 1,8 meter, een rijbaan van 4,2 meter en een berm van 2,4 meter breed.

Ten opzichte van de oude situatie betekent de nieuwe invulling van het Moleneind een aanzienlijke versmalling. Niet in geding is dat het in die situatie zonder het treffen van nadere voorzieningen niet dan wel nauwelijks mogelijk zal zijn autobussen, gelet op hun draaicirkel, op het perceel van appellant te plaatsen en deze van het perceel af te rijden.

Uit nader ingediende stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat na het bestreden besluit over de situatie van appellant overleg heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de gemeenteraad nogmaals opdracht verstrekt aan Goudappel Coffeng B.V. om de bereikbaarheid van het perceel van appellant nader te onderzoeken. Hiertoe is een aantal rijcurvesimulaties uitgevoerd, welke zijn neergelegd in een brief van 21 januari 2004. Het college van burgemeester en wethouders heeft appellant hiervan alsmede van de bereidheid een aantal voorzieningen uit te voeren, bij brief van 22 januari 2004 in kennis gesteld.

Uit het vorenstaande blijkt dat nader onderzoek en enige verduidelijking omtrent de situatie van appellant door de gemeenteraad nodig is geacht, hetgeen door verweerder niet is bestreden. De Afdeling leidt hieruit af dat diens situatie ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende in ogenschouw is genomen. De nadien ingebrachte gegevens dateren van na het nemen van het bestreden besluit en kunnen daarom, gelet op het feit dat de toetsing van het bestreden besluit door de Afdeling wordt verricht aan de hand van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, niet worden betrokken bij het thans voorliggende geschil.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, voor zover dit betreft de goedkeuring van de plandelen met de bestemmingen “Verblijfsgebied –Vb-” en “Waterweg -Vs(w)-“ ter hoogte van het perceel van appellant, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 3] is op deze punten gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 5] te worden veroordeeld. Ten aanzien van Het Drachtster Bos, [appellant sub 3] en de Vogelwacht is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2], de Vogelwacht en [appellanten sub 5] geheel en van Het Drachtster Bos en [appellant sub 3] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 18 februari 2003, kenmerk 513631, voor zover het betreft de goedkeuring van:

a. artikel 5, lid A2, onder j, van de planvoorschriften en de aanduiding “haven” op de plankaart;

b. de plandelen met de bestemmingen “-Uit te werken woondoeleinden 4 -UW 4-” en “Verblijfsgebied –Vb-“, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart no. 1;

c. de plandelen met de bestemmingen “Verblijfsgebied –Vb-“ en “Waterweg -Vs(w)-“, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart no. 2;

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II.a. vermelde planonderdelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover het betreft het onder III. genoemde;

V. verklaart de beroepen van Het Drachtster Bos en [appellant sub 3] voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Fryslân in de door [appellanten sub 2] en [appellanten sub 5] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 459,05; het bedrag dient als volgt door de provincie Fryslân te worden betaald:

a. aan [appellanten sub 2] een bedrag van € 322,00, dat geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan [appellanten sub 5] een bedrag van € 137,05;

VII. gelast dat de provincie Fryslân aan alle appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00 voor Het Drachtster Bos, de Vogelwacht en [appellanten sub 5] ieder afzonderlijk; € 116,00 voor [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] ieder afzonderlijk) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Langeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004

317-371.