Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9670

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
18-05-2004
Zaaknummer
200402925/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2004, kenmerk 558, heeft verweerder besloten de aan de Leidse Tennisvereniging “De Merenwijk” opgelegde last onder dwangsom inzake de overtreding van voorschrift 1.5.1 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200402925/1.

Datum uitspraak: 12 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2004, kenmerk 558, heeft verweerder besloten de aan de Leidse Tennisvereniging “De Merenwijk” opgelegde last onder dwangsom inzake de overtreding van voorschrift 1.5.1 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) in te trekken.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.

Bij brief van 28 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2004, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 april 2004, waar verzoekers, bij monde van [verzoeker], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. A. Burger en R. Glans, ambtenaren van de Milieudienst West-Holland, zijn verschenen. Voorts is de Leidse Tennisvereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigden], daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de aan de tennisvereniging bij besluit van 21 augustus 2003, kenmerk 1577, verzonden 25 augustus 2003, opgelegde last onder dwangsom inzake de overtreding van voorschrift 1.5.1 van het Besluit ingetrokken. Hiertoe heeft verweerder besloten, nadat uit een lichtmeting, uitgevoerd op 10 maart 2004, was gebleken dat voldaan werd aan de grenswaarden van 5 lux en 10.000 candela zoals deze zijn gesteld in de “Algemene richtlijn betreffende lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde van november 1999. Op basis van voornoemde meting is volgens verweerder niet langer sprake van een met artikel 1.5.1 van het Besluit strijdige situatie.

2.2. Verzoekers kunnen zich hier niet in vinden. Zij stellen lichthinder te ondervinden van de lichtmasten geplaatst op de banen 5 en 6 van de tennisvereniging “De Merenwijk”. Zij voeren aan dat er sprake is van directe lichtinval en dat zij voorts rechtstreeks op het glas van de lampen en in de spiegel van de lampen van de lichtmasten kijken. Verzoekers zijn van mening dat er nagenoeg geen voorzieningen zijn getroffen voor de lichtmasten op de banen 5 en 6. De maatregelen die wel zijn genomen, hebben volgens hen de lichthinder niet weggenomen. Verzoekers betogen voorts dat de uitgevoerde lichtmeting, waarop het besluit van verweerder om de dwangsom in te trekken is gebaseerd, slechts is uitgevoerd bij een beperkt aantal woningen. Verder was er ten tijde van de meting sprake van een hoge luchtvochtigheid, aldus verzoekers.

2.3. De Voorzitter overweegt dat verweerder op grond van de uitkomsten van voornoemde lichtmeting op zichzelf hierin aanleiding heeft kunnen vinden de aan de tennisvereniging “De Merenwijk” opgelegde last onder dwangsom in te trekken.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is evenwel aannemelijk geworden dat van de lichtmasten van de banen 5 en 6 lichthinder, in een enkel geval door zichtbare instraling in een woning, wordt ondervonden. Dit is ter zitting noch door verweerder noch door de tennisvereniging ontkend. De Voorzitter neemt daarbij in aanmerking dat de tennisvereniging blijkens de nader ingekomen stukken en het verhandelde ter zitting ter vermindering van lichthinder afkomstig van de lichtmasten op de banen 5 en 6 reeds opdracht heeft gegeven voor het plaatsen van kappen op een tweetal lampen en dat voor de andere lampen de mogelijkheden omtrent het plaatsen van (speciale) kappen wordt onderzocht.

De Voorzitter betwijfelt of onder de omstandigheden van het geval, waarbij enkele woningen slechts op circa 15 meter afstand van de lichtmasten zijn gelegen, de lichtmeting op juiste wijze is uitgevoerd dan wel of met één meting had kunnen worden volstaan op basis waarvan is besloten tot intrekking van eerder genoemde last onder dwangsom over te gaan. Niet duidelijk is geworden waarom slechts bij enkele woningen een meting is verricht, terwijl blijkens het verhandelde ter zitting meerdere woningen last (kunnen) hebben van directe lichtinval. Voorts blijkt uit de stukken niet welke weersomstandigheden, die van invloed kunnen zijn op de lichtmeting, er golden ten tijde van deze meting.

Gelet op het vorenstaande is thans onvoldoende duidelijk of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor onaanvaardbare lichthinder van de lichtmasten op de banen 5 en 6 van de tennisvereniging niet behoeft te worden gevreesd. Dit vergt naar het oordeel van de Voorzitter een nader onderzoek waartoe eerst in het kader van de beslissing op bezwaar kan worden ingegaan. Gezien het verhandelde ter zitting, gaat de Voorzitter ervan uit dat de beslissing op bezwaar zal worden bespoedigd en dat van de zijde van de tennisvereniging het onderzoek naar de mogelijkheden om de lichthinder verder te doen verminderen wordt voortgezet.

2.4. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter bij afweging van de betrokken belangen aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland van 22 maart 2004, kenmerk 558, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. veroordeelt het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland in de door verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 104,86; het bedrag dient door de Milieudienst West-Holland te worden betaald aan verzoekers;

III. gelast dat de Milieudienst West-Holland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Montagne

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2004

374.