Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9233

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
11-05-2004
Zaaknummer
200402283/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2003, kenmerk MW02.24572, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [verzoekster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het bewaren en bewerken van - van buiten de inrichting afkomstige - minerale oliehoudende afvalstoffen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 5 februari 2004 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2004/29 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

200402283/2.

Datum uitspraak: 4 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2003, kenmerk MW02.24572, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [verzoekster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het bewaren en bewerken van - van buiten de inrichting afkomstige - minerale oliehoudende afvalstoffen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 5 februari 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 17 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 april 2004.

Bij brief van 17 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 april 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. R.J. Wevers, advocaat te Boxtel, en R. Smit, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.F.M. Verbunt en ing. D. Mulder, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoekster voert aan dat in voorschrift 4.4 ten onrechte is bepaald dat er in de avond- en nachtperiode geen transportbewegingen mogen plaatsvinden. Zij stelt daartoe dat deze transportbewegingen uit bedrijfseconomisch noodzakelijk zijn. Verzoekster voert verder nog aan dat verweerder door de vergunning op dit punt te weigeren de bestaande rechten heeft miskend die zij heeft op grond van de eerder verleende vergunning krachtens de Afvalstoffenwet.

Verder betoogt zij dat zij in de bedenkingen heeft verzocht om het nemen van een definitief besluit op te schorten tot het moment dat zij nader onderzoek heeft verricht naar het plaatsen van een parkeerhal.

2.2.1. De Voorzitter overweegt dat voor de avondperiode geen transportbewegingen zijn aangevraagd en dat deze derhalve door verweerder niet kunnen worden vergund. In zoverre wordt het verzoek afgewezen.

2.2.2. Wat betreft de transportbewegingen in de nachtperiode overweegt de Voorzitter als volgt.

Op grond van artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die vergunninghoudster aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet. Bij deze bestaande rechten gaat het om eerder vergunde activiteiten. Artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer staat er daarbij niet aan in de weg dat het bevoegd gezag bij de beoordeling of nieuwe activiteiten of een uitbreiding van activiteiten kunnen dan wel kan worden vergund deze situatie beoordeelt aan de hand van de zich op dat moment voordoende milieuhygiënische inzichten.

Bij besluit van 5 oktober 1993 is aan verzoekster krachtens de Afvalstoffenwet een vergunning verleend voor een periode van 10 jaar. Op grond van deze vergunning was het weliswaar toegestaan in de nachtperiode transportbewegingen uit te voeren maar deze vergunning is inmiddels geëxpireerd. Overigens overweegt de Voorzitter dat aan laatstvermelde vergunning voor de nachtperiode een grenswaarde voor het maximale geluidniveau was verbonden van 60 dB(A), welke waarde zoals hierna zal blijken niet naleefbaar is.

2.2.3. Verweerder heeft voor de beoordeling van het van de inrichting te duchten maximale geluidniveau de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gehanteerd. Daarbij heeft hij, bij gebreke aan een gemeentelijke nota industrielawaai, aansluiting gezocht bij de systematiek van de circulaire Industrielawaai.

Voor de nachtperiode is verweerder bij de beoordeling van de aangevraagde activiteiten uitgegaan van een waarde van 60 dB(A). Deze waarde wordt in de circulaire als maximaal aanvaardbaar aangemerkt voor deze periode. De Voorzitter oordeelt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze grenswaarde nodig is ter bescherming tegen hinder als gevolg van piekgeluiden vanwege de inrichting.

2.2.4. Vast staat dat op werkdagen om 06.00 uur gemiddeld 4 vrachtauto’s vertrekken vanaf de inrichting. Niet in geschil is dat deze bewegingen een overschrijding veroorzaken van 7 dB(A) van de door verweerder gehanteerde grenswaarde voor de nachtperiode. Voor een voorlopige voorziening in die zin dat een dergelijke overschrijding in de nachtperiode wordt toegestaan, is naar het oordeel van de Voorzitter dan ook geen plaats.

Ook verder is niet gebleken van omstandigheden waarom het verzoek om voorlopige voorziening zou moeten worden ingewilligd.

2.3. Overigens wordt overwogen dat is gebleken dat verzoekster bij verweerder een aanvraag om een revisievergunning heeft ingediend voor de uitbreiding van de inrichting met een parkeerhal. Verweerder heeft ter zitting verklaard niet tot handhaving te zullen overgaan tot het moment dat deze aanvraag is beoordeeld. Daarna zal van de zijde van verweerder met verzoekster contact worden opgenomen over het al dan niet continueren van het gedogen, aldus verweerder.

2.4. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D. Trippert-van Gemeren, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Trippert-van Gemeren

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2004

289.