Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9216

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
12-05-2004
Zaaknummer
200306542/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2001 heeft het dagelijks bestuur van het plassenschap Loosdrecht en omstreken (hierna: het dagelijks bestuur) appellant onder aanzegging van een dwangsom van ƒ 100,00 (€ 45,38) per dag tot een maximum van ƒ 10.000,00 (€ 4537,80) gelast zijn pleziervaartuig waarmee onbemand ligplaats werd ingenomen aan het in zijn eigendom zijnde perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […], voor 26 maart 2001 te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200306542/1.

Datum uitspraak: 12 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het plassenschap Loosdrecht en omstreken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2001 heeft het dagelijks bestuur van het plassenschap Loosdrecht en omstreken (hierna: het dagelijks bestuur) appellant onder aanzegging van een dwangsom van ƒ 100,00 (€ 45,38) per dag tot een maximum van ƒ 10.000,00 (€ 4537,80) gelast zijn pleziervaartuig waarmee onbemand ligplaats werd ingenomen aan het in zijn eigendom zijnde perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […], voor 26 maart 2001 te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 27 september 2001 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 september 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 november 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 januari 2004 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Bij brief van 10 maart 2004 is nog een nader stuk van appellant ontvangen. Dit stuk is in afschrift aan de andere partij gezonden.

Bij brief van 19 maart 2004 is voorts een nader stuk van het dagelijks bestuur ontvangen. Dit stuk is in afschrift aan de andere partij gezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door [voormalig eigenaar] van voormeld perceel, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.M.J. Meijs en H. Hijdra, beiden ambtenaar bij het plassenschap Loosdrecht en omstreken, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening bescherming plassengebied (hierna: de Verordening), voorzover hier van belang, is het verboden in de op kaart A met een enkele of kruisarcering aangegeven gedeelten van het gebied ligplaats te hebben met een pleziervaartuig of ander vaartuig, indien deze vaartuigen onbemand zijn.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel zijn de in het eerste lid omschreven verboden niet van toepassing op maximaal twee pleziervaartuigen elk met een maximumlengte van 12 meter, gelegen binnen een afstand van 15 meter van een huis, zomerhuis, woonschip of kampeermiddel, waarvoor van overheidswege de vereiste toestemming schriftelijk is verleend dan wel niet is vereist.

2.2. Niet in geschil is dat het aan appellant toebehorende perceel waaraan zijn pleziervaartuig onbemand was afgemeerd, is gelegen in een gebied waarop artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening van toepassing is.

2.3. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het standpunt van het dagelijks bestuur dat uit de tekst van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening volgt dat het vaartuig in zijn geheel binnen een afstand van 15 meter tot een woonhuis (dan wel tot een ander object als genoemd in dat artikel) gelegen moet zijn, juist is. Aangezien in het geval van appellant blijkens door het dagelijks bestuur uitgevoerde metingen niet aan dat criterium is voldaan, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het dagelijks bestuur zich reeds hierom op het standpunt heeft kunnen stellen dat het vaartuig van appellant niet valt onder de uitzondering die artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening op het in het eerste lid van dat artikel vervatte verbod maakt. De rechtbank heeft het dagelijks bestuur voorts terecht gevolgd in zijn standpunt dat die bepaling eveneens niet van toepassing is omdat de volledige lengte van het vaartuig van appellant meer dan twaalf meter bedraagt. Appellant heeft dit blijkens de uitspraak van de rechtbank ter zitting aldaar ook erkend. Het in hoger beroep door appellant gehouden betoog dat zijn vaartuig - indien de boegoversteek buiten beschouwing wordt gelaten - korter is dan twaalf meter, doet, wat hier ook van zij, aan het vorenstaande niet af.

2.4. Gelet op het voorgaande was het dagelijks bestuur bevoegd om appellant een last onder dwangsom op te leggen.

2.5. Alleen in bijzondere gevallen kan een bestuursorgaan afzien van handhavend optreden tegen een illegale situatie. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie.

2.6. Daarvan is hier geen sprake, reeds omdat ingevolge het door het dagelijks bestuur terzake gevoerde beleid, dat is ingegeven door het belang van de bescherming van de natuurlijke en landschappelijke waarden van het plassengebied, geen nieuwe ontheffingen worden verleend van het verbod om met een onbemand vaartuig ligplaats in te nemen in het desbetreffende gebied.

2.7. Met de rechtbank is de Afdeling voorts van oordeel dat de omstandigheid dat het dagelijks bestuur bij brief van 21 mei 1989 aan [voormalig eigenaar] te kennen heeft gegeven dat bij het afmeren van zijn vaartuig aan de oostelijke grens van het perceel, dat vaartuig onder de - destijds geldende - vrijstellingsbepaling zou vallen, geen grond vormt voor het oordeel dat het dagelijks bestuur van handhaving had moeten afzien. Uit de stukken is voldoende gebleken dat voormelde brief betrekking had op een andere situatie, zodat reeds hierom aan die brief niet de door appellant gewenste waarde kan worden gehecht.

2.8. In hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd is evenmin grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het dagelijks bestuur van optreden tegen de illegale situatie zou moeten afzien.

2.9. Gegeven het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid tot handhaving van de lastgeving heeft kunnen komen.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Peute

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2004

391.