Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9199

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
12-05-2004
Zaaknummer
200304967/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij besluit van 18 juni 2003, kenmerk 919710, een vergunning onder voorschriften ingevolge de Ontgrondingenwet verleend aan [vergunninghouder] te [plaats] voor het ontgronden van gedeelten van de percelen, kadastraal bekend gemeente Teteringen, sectie […], nrs. […].

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 3
Ontgrondingenwet 10
Ontgrondingenwet 17
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2004/115 met annotatie van De Jong, De Vries
M en R 2005, 8

Uitspraak

200304967/1.

Datum uitspraak: 12 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Brabantse Milieufederatie", gevestigd te Tilburg, de vereniging “Natuur en Milieuvereniging Teteringen”, gevestigd te Teteringen, de vereniging “Milieuvereniging Oosterhout”, gevestigd te Oosterhout, [appellant A], wonend te [woonplaats] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 18 juni 2003, kenmerk 919710, een vergunning onder voorschriften ingevolge de Ontgrondingenwet verleend aan [vergunninghouder] te [plaats] voor het ontgronden van gedeelten van de percelen, kadastraal bekend gemeente Teteringen, sectie […], nrs. […].

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 28 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2003, beroep ingesteld.

Van verweerder is geen verweerschrift ontvangen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 3 februari 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.M.E. Kessels, advocaat te Venlo, en [appellant A], en verweerder, vertegenwoordigd door A.A.G. van den Meerendonk, ir. T.M.F. Huijsmans, en mr. A.J.A.M. van de Laar, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn het gemeentebestuur van Breda, vertegenwoordigd door S.G.J. de Jong, en [vegunninghouder], vertegenwoordigd door mr. J. Hoekstra, advocaat te Amsterdam, en ir. J.J.M. van Roestel, deskundige, gehoord.

2. Overwegingen

De ontvankelijkheid van het beroep

2.1. Ingevolge artikel 17 van de Ontgrondingenwet (verder te noemen: de wet) kan tegen een beschikking op grond van Hoofdstuk II van deze wet een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. [appellant B] en [appellant A] wonen op tenminste 240 meter van de grens van de dichtstbijzijnde ontgronding. Naar het oordeel van de Afdeling kan op grond hiervan niet van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang worden gesproken. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat niettegenstaande het voorgaande eigen, persoonlijke belangen van [appellant B] en [appellant A] rechtstreeks door het bestreden besluit zouden worden geraakt.

Het beroep is voorzover het is ingediend door [appellant A] en [appellant B] niet-ontvankelijk.

De inhoudelijke beoordeling van het beroep

2.2. De verleende ontgrondingsvergunning maakt de aanleg van twee vijvers en een retentievoorziening/afvoerende watergang binnen een aan te leggen golfbaan mogelijk. Vijver B en de retentievoorziening (A) dienen voor de berging van hemelwater dat van de verharde oppervlakten in de nabijgelegen woongebieden afstroomt waarbij vijver B tevens voor de beregening van de golfbaan wordt gebruikt. Vijver C wordt uitsluitend aangelegd ten behoeve van de golfbaan.

2.3. Appellanten zijn van mening dat verweerder de gevraagde vergunning ten onrechte heeft verleend. Zij voeren daartoe aan dat er verschillen bestaan tussen de aanvraag en de uiteindelijk verleende vergunning. Voorts stellen zij dat de ontgrondingen in strijd zijn met het vigerende bestemmingsplan en met het provinciale beleid. Ook menen appellanten dat te weinig inzicht bestaat in de effecten van de ontgrondingen en dat het MER en de aanvulling daarop onvoldoende en onvolledig zijn. Zij vrezen dat de ontgrondingen zullen leiden tot een verdroging van de -relatief hoog- gelegen delen van de EHS/GHS aan de oostzijde en tot een vermindering van het kwelwater in de -relatief laag- gelegen Lage Vuchtpolder aan de westzijde van de golfbaan. Ten slotte voeren appellanten aan dat verweerder geen inzicht heeft gegeven inzake de mogelijke onttrekking van grondwater, en dat geen onderzoek is verricht naar de nadelige effecten van de ontgrondingen op de waterkwaliteit.

2.4. Verweerder stelt dat de ontgrondingen weliswaar in strijd zijn met het vigerende bestemmingsplan, maar dat de gemeente deze ontwikkeling mogelijk wil maken en daartoe een zelfstandige projectprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder te noemen: de WRO) is gestart. Nu verweerder in het kader van die procedure een verklaring van geen bezwaar heeft verleend, ontmoeten de ontgrondingen naar zijn mening geen ruimtelijke bezwaren. Verweerder bestrijdt dat de ontgrondingen in strijd zijn met het provinciale ontgrondingenbeleid. De ontgrondingen worden uitgevoerd in het kader van landschapsbouw en natuurontwikkeling met daarbij een meerwaarde voor de aan te leggen golfbaan en daarmee is voldaan aan de vereisten van het provinciale beleid. Voorts is verweerder van mening dat wat betreft de waterhuishoudkundige gevolgen van de ontgrondingen de invloed op het grondwaterverhang gering zal zijn en zich zal beperken tot de directe omgeving van de ontgrondingen. Ook meent verweerder dat geen negatieve effecten zijn te verwachten op de kwel in de Lage Vuchtpolder.

2.5. Van onduidelijkheden als gevolg van verschillen tussen de aanvraag en de verleende vergunning is de Afdeling niet gebleken. Daartoe stelt de Afdeling vast dat, in tegenstelling tot wat appellanten aanvoeren, de vergunning overeenkomt met de aanvraag wat betreft de plaats en de oppervlakte van de ontgrondingen en het aantal percelen waarop de ontgrondingswerkzaamheden zullen plaatsvinden.

De oppervlakte van de ontgrondingen is 4,38 ha. Zowel op de kaart bij de aanvraag als op de kaart die behoort bij de vergunning is door middel van arcering aangegeven waar de ontgrondingen zullen plaatsvinden. Door de aanvrager zijn voorts in bijlage 3 van de aanvraag uittreksels uit het kadaster gevoegd waaruit de eigendom van de percelen blijkt. Anders dan appellanten betogen, is er geen verschil tussen de aanvraag en de vergunning wat betreft het aantal eigenaren.

2.6. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de wet is het verboden zonder vergunning te ontgronden. Ingevolge artikel 10, derde lid, van de wet, deelt de raad van de gemeente op het gebied waarvan de aanvraag om vergunning betrekking heeft, mee of de beoogde ontgrondingen in overeenstemming zijn met het geldende bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit, en deelt, zo zulks niet het geval is, mee of het gemeentebestuur bereid is aan de ontgrondingen planologische medewerking te verlenen. Een vergunning wordt op grond van artikel 10, achtste lid, van de wet, niet verleend indien niet is voldaan aan de in het derde lid genoemde voorwaarden.

2.6.1. De Afdeling overweegt dat over de bereidheid tot planologische medewerking van het gemeentebestuur van Breda geen twijfel behoeft te bestaan. Het gemeentebestuur heeft verweerder op 8 november 2002 medegedeeld dat planologische medewerking aan het plan zal worden verleend. Dit is ter zitting nogmaals bevestigd. Er is een zelfstandige projectprocedure op grond van artikel 19 van de WRO gevoerd, waarvoor op 8 april 2003 een verklaring van geen bezwaar is afgegeven door verweerder. Op 4 juni 2003 heeft de gemeente Breda aan De Wilde Projektmanagement vrijstelling van het geldende bestemmingsplan verleend. De Afdeling is derhalve van oordeel dat de ontgrondingsvergunning niet is verleend in strijd met artikel 10, derde en achtste lid, van de wet. Overigens overweegt de Afdeling dat het vrijstellingsbesluit weliswaar door de Rechtbank Breda bij uitspraak van 22 maart 2004 is geschorst, maar dat dit niet betekent dat het gemeentebestuur van Breda niet meer bereid is planologische medewerking te verlenen.

2.7. Functionele ontgrondingen, dat wil zeggen ontgrondingen waarbij de winning van grond volledig is gekoppeld aan een maatschappelijk gewenste functie, moeten, volgens de door provinciale staten vastgestelde nota “Bouwen op (Zee)zand”, een duidelijke maatschappelijke meerwaarde opleveren. Wat maatschappelijk gewenste functies zijn wordt primair bepaald in ruimtelijke plannen. Het grondstoffenbeleid is hierop volgend. De maatschappelijke meerwaarde van een ontgronding waarbij een waterplas ontstaat, is volgens de bovengenoemde nota gelegen in het voorkomen van steriliteit en eenvormigheid en het stimuleren van diversiteit en belevingswaarde van die plas. Appellanten betogen dat de golfbaan ten onrechte als maatschappelijke meerwaarde bij de beoordeling is betrokken. De Afdeling overweegt dat verweerder in redelijkheid de ontgrondingen in overeenstemming heeft kunnen achten met de provinciale nota, nu de te graven waterplassen een functie hebben binnen het gebied. De retentievoorziening (A) is gericht op de berging van hemelwater en maakt infiltratie in het grondwater mogelijk. Vijver B functioneert eveneens voor de opvang van hemelwater en zal daarnaast gebruikt worden voor de beregening van de golfbaan. Vijver C wordt uitsluitend ten behoeve van de golfbaan aangelegd en heeft als zodanig een landschappelijke functie.

2.8. Ten aanzien van de door appellanten aangevoerde onvolledigheid van het MER en de aanvulling daarop overweegt de Afdeling dat dit MER niet ten behoeve van dit besluit is opgesteld en als zodanig niet ter beoordeling staat in deze procedure, maar in de procedure van het (eerste) ruimtelijke plan waarvoor het is opgesteld. Bij de aanvulling op het MER is tevens een “Waterbalans” opgesteld met als doel inzicht te verkrijgen in het neerslagoverschot van de verschillende onderzochte alternatieven. Aan het MER alsook aan de “Waterbalans” komt in deze procedure slechts informatieve betekenis toe voorzover daarin informatie staat over de waterhuishoudkundige gevolgen van de ontgrondingen.

2.9. Mede gelet op het deskundigenbericht kunnen de effecten van de ontgrondingen op twee niveaus worden onderscheiden. Allereerst kunnen de ontgrondingen effecten hebben op de hydro-geologische eenheid, het zogenoemde macro-niveau. Daarnaast kunnen de ontgrondingen effecten hebben in de nabije omgeving van de ontgrondingen, het micro-niveau.

Het is op grond van de stukken, waaronder het deskundigenbericht, niet aannemelijk geworden dat de effecten van de ontgrondingen op macro-niveau significante betekenis hebben voor de waterhuishouding in het gebied. De Afdeling overweegt dat in dit kader waarde kan worden gehecht aan de werking van de zogenoemde “Watermachine”. De “Watermachine” is volgens het deskundigenbericht en mededelingen ter zitting een voorziening ten zuidwesten, dat wil zeggen aan de andere kant, van Teteringen, bedoeld voor de opvang van hemelwater uit de noordelijke wijken van Breda. Dit water wordt vervolgens na zuivering in de Lage Vuchtpolder ingelaten.

Wat betreft de gevolgen van de ontgrondingen op micro-niveau overweegt de Afdeling dat hoewel geen van de rapporten waarop verweerder of appellanten zich hebben gebaseerd zagen op de exact vergunde situatie, verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de ontgrondingen nadelige effecten hebben op de waterhuishouding. Voorzover appellanten stellen dat het gebruik van vijver C voor beregening van de golfbaan onvoldoende is onderzocht, overweegt de Afdeling dat het gebruik van een winplas voor beregening en de daaraan verbonden gevolgen niet de ontgronding zelf betreffen en dus als zodanig niet kunnen worden aangemerkt als bij de ontgronding betrokken belangen. Bovendien is beregening van vijver C niet meer aan de orde nu uit de stukken is gebleken en ter zitting tevens bevestigd dat vijver C niet voor beregening zal worden gebruikt. Voorts overweegt de Afdeling dat, gelet op het verhandelde ter zitting, het verwachte waterverlies door verdamping uit vijver C zeer gering zal zijn en dat derhalve niet aannemelijk is dat dit tot verdroging van het gebied zal leiden. De retentievoorziening en vijver B dienen voor de opvang en berging van hemelwater dat afstroomt van de verharde oppervlakten van de omliggende woonbebouwing. Beide plassen worden gegraven om de vereiste bergingscapaciteit binnen het gebied te kunnen realiseren, ongeacht of de golfbaan zal worden aangelegd. Voorts wordt vijver B geïsoleerd van het grondwater aangelegd door gebruik te maken van een afdichtende folielaag. De Afdeling overweegt dat, gelet op de functie en inrichting van de retentievoorziening en vijver B, niet aannemelijk is gemaakt dat negatieve effecten op de waterhuishouding zijn te verwachten.

2.10. Voorzover appellanten stellen dat verweerder bij het bestreden besluit inzicht had moeten bieden inzake de mogelijke onttrekking van grondwater als gevolg van beregening uit de grondwatergevoede vijver C, overweegt de Afdeling dat de mogelijke onttrekking van grondwater geen bij de ontgrondingen betrokken belang is. De onttrekking van grondwater kan in het kader van de Grondwaterwet en het daarop gebaseerde vergunningenstelsel worden geregeld.

2.11. Ten aanzien van de waterkwaliteit overweegt de Afdeling dat dit belang onder omstandigheden als een bij de ontgronding betrokken belang kan worden aangemerkt. In dit geval is naar het oordeel van de Afdeling echter geen sprake van een bij de ontgrondingen betrokken belang nu de ontgrondingen geen directe invloed hebben op de waterkwaliteit van de ontgrondingsplassen. De Afdeling is van oordeel dat verweerder appellanten terecht heeft verwezen naar de ter zake bevoegde waterbeheerders, thans het waterschap Brabantse Delta, nu deze bezwaren zien op de waterkwaliteit van de lozingen op het oppervlaktewater van de ontgrondingsplassen. Deze bezwaren kunnen aan de orde komen bij een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewater.

2.12. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle bij de ontgrondingen betrokken belangen in redelijkheid aan de belangen die zich tegen de ontgrondingen verzetten, een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de ontgrondingen zijn gediend. Uit hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht, ziet de Afdeling ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep voorzover dat is ingediend door [appellant A] en [appellant B] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voorzover dat is ingediend door de Stichting Brabantse Milieufederatie, de Natuur en Milieuvereniging Teteringen en de Milieuvereniging Oosterhout ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Troost

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2004

234-461.