Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9196

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
12-05-2004
Zaaknummer
200304023/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2003, kenmerk 904564, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het bewerken van speciale gereedschappen of delen van gereedschappen, die gebruikt, niet meer bruikbaar of als afgekeurd moeten worden beschouwd met een verwerkingscapaciteit van 250 ton per jaar op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 12 mei 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200304023/1.

Datum uitspraak: 12 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante] gevestigd te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2003, kenmerk 904564, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het bewerken van speciale gereedschappen of delen van gereedschappen, die gebruikt, niet meer bruikbaar of als afgekeurd moeten worden beschouwd met een verwerkingscapaciteit van 250 ton per jaar op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 12 mei 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 20 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2003, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 januari 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2004 waar verweerder is verschenen, vertegenwoordigd door mr. Y van Hoven en

ing. R.C.M. Velden, ambtenaren van de provincie.

2. Overwegingen

2.1. De inrichting is gespecialiseerd in het scheiden van grondstoffen. Het productieproces is erop gericht kostbare grondstoffen zoals cubisch boriumnitride, ijzer, kobalt, nikkel, zilver en diamant uit gereedschappen terug te winnen door middel van het chemisch of fysisch scheiden, zeven en sorteren van de stoffen.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellante heeft de grond inzake voorschrift 2.1.1 niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Appellante heeft aangevoerd dat ter bepaling van het bodembeschermingsniveau het begrip “verwaarloosbaar risico” moet worden vervangen door “aanvaardbaar risico”. Zij heeft er tevens op gewezen dat de in de considerans opgenomen passages ten aanzien van een doelmatige verwijdering van afvalstoffen en het Landelijk Afvalbeheersplan niet op de inrichting van toepassing zijn.

De Afdeling stelt vast dat appellante geen beroep heeft ingesteld tegen de voorschriften opgenomen in het hoofdstuk bodembescherming onder 4.1 van de vergunning, maar uitsluitend tegen hetgeen verweerder in de considerans van het bestreden besluit heeft overwogen. Verweerder heeft hierin gesteld dat het risico dat door de aangevraagde activiteiten in combinatie met de getroffen en te treffen voorzieningen een bodemverontreiniging ontstaat, verwaarloosbaar is conform het gestelde in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming. Deze overwegingen zijn geen op rechtsgevolg gericht onderdeel van het bestreden besluit en zijn als zodanig dan ook niet voor beroep vatbaar. Dit geldt eveneens voor de overwegingen die in de considerans van het bestreden besluit zijn opgenomen ten aanzien van de doelmatige verwijdering van afvalstoffen. Het beroep kan daarom in zoverre niet slagen.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Appellante acht het niet nodig dat voorschrift 6.1.1 aan de vergunning wordt verbonden.

In voorschrift 6.1.1 is bepaald dat vergunninghoudster jaarlijks het energieverbruik per energiedrager (m3 gas, liter HBO, kWh e.d.) van het afgelopen jaar dient te registeren. Deze gegevens moeten drie jaar binnen de inrichting worden bewaard.

Verweerder staat op het standpunt dat registratie noodzakelijk is om het energieverbruik binnen de inrichting in beeld te brengen. Zodoende kunnen tijdig maatregelen worden getroffen bij een oplopend of een onnodig hoog energieverbruik.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder het voorschrift in redelijkheid nodig kunnen achten ter bescherming van het milieu, waaronder het gebruik van energie wordt begrepen. In hetgeen appellante hieromtrent heeft aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder dit voorschrift niet in redelijkheid aan de vergunning heeft kunnen verbinden. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.6. Appellante heeft betoogd dat de definitie voor installaties of procesinstallaties niet op de inrichting van toepassing is.

Verweerder staat op het standpunt dat de opgenomen definitie een verduidelijking is van de aan de vergunning verbonden voorschriften. Hij heeft betoogd dat er, anders dan appellante meent, wel degelijk een procesinstallatie in de inrichting aanwezig is, namelijk een afgasreinigingsinstallatie. Appellante heeft dit laatste niet weersproken. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding de begrippenlijst aan te passen.

2.7. Appellante acht voorts de bedrijfstijden in voorschrift 1.1.1 te beperkend. De aan- en afvoer van grondstoffen, hulpstoffen en eindproducten kan gelet op dit voorschrift niet meer plaatsvinden na 16.30 uur. Dit is onwerkbaar, aldus appellante.

In voorschrift 1.1.1 is bepaald dat de inrichting slechts in werking mag zijn op de werkdagen maandag tot en met vrijdag van 08.00 uur tot 16.30 uur. Hiervan zijn uitgezonderd installaties welke onbemand buiten de werktijden in werking kunnen zijn.

De Afdeling overweegt dat de aanvraag blijkens het dictum onderdeel uit maakt van het bestreden besluit. In de aanvraag is aangegeven dat de werktijden in de inrichting zijn van 08.00 uur tot 16.30 uur. Hiermee zijn de tijden bedoeld dat de werknemers in de inrichting aan het werk zijn. Blijkens het deskundigenrapport is het door de grote afstand van de inrichting tot de omliggende woningen niet waarschijnlijk dat door laad- en losactiviteiten de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden zullen worden overschreden. Verweerder heeft gelet op het deskundigenrapport te kennen gegeven dat hij er geen bezwaar tegen heeft indien dit voorschrift wordt vernietigd. De Afdeling is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat voorschrift 1.1.1 niet nodig is ter bescherming van het milieu en derhalve in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer aan de vergunning is verbonden.

2.8. Appellante heeft bezwaar tegen de meting van de emissie van fluorverbindingen neergelegd in voorschrift 2.2.1. Zij is van mening dat door de kleine hoeveelheid fluorwaterstof die incidenteel wordt gebruikt, de ongereinigde vracht sterk per batch verschilt, zodat de voorgeschreven rendementsberekening niet doelmatig is.

2.8.1. In voorschrift 2.2.1 is bepaald dat vergunninghoudster uiterlijk twee maanden na het in gebruik nemen van de ‘combiwasser’ in gebouw 10, aan gedeputeerde staten dient te rapporteren omtrent de werkelijke emissies naar de lucht van de componenten waaraan in deze vergunning een maximum is gesteld. De metingen dienen plaats te vinden onder representatieve bedrijfscondities. Gemeten dient te worden per puntbron. Bij toepassing van nageschakelde technieken dienen eveneens de ongereinigde vracht, het rendement en eventuele emissierelevante parameters te worden bepaald.

2.8.2. Verweerder heeft betoogd dat het redelijk is, omdat er in voorschrift 2.1.1 een concentratienorm is opgenomen, eenmalig de emissie te meten. Een dergelijke eis is volgens hem in overeenstemming met

artikel 8.12, derde lid van de Wet milieubeheer.

2.8.3. In artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat de aan een vergunning te verbinden voorschriften de doeleinden aangeven, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

In het derde lid is bepaald dat voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat op een daarbij aangegeven wijze moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan en dat de daarbij verkregen gegevens ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

2.8.4. De Afdeling overweegt dat doelvoorschriften doeleinden bevatten die een vergunninghouder met het oog op het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze moet realiseren. Voorschrift 2.1.1 waarin emissienormen zijn opgenomen voor fluor, fluorverbindingen en chloorverbindingen dient als doelvoorschrift te worden aangemerkt. Uit artikel 8.12, derde lid, van de Wet milieubeheer, volgt dat aan de vergunning ook een voorschrift moet worden verbonden, inhoudende dat op een daarbij aangegeven wijze moet worden bepaald of aan dit voorschrift wordt voldaan. De Afdeling overweegt, gelet op het deskundigenrapport, dat na toepassing van fluor en fluorverbindingen in de inrichting, een weliswaar geringe maar meetbare emissie zal optreden. Gelet hierop acht de Afdeling het niet onnodig bezwarend om door middel van een meting na te gaan of voorschrift 2.1.1 wordt nageleefd. De beroepsgrond faalt.

2.9. Appellante heeft bezwaar tegen voorschrift 2.2.4. Volgens haar wordt in de inrichting geen lucht bijgemengd, zodat dit voorschrift niet van toepassing is.

In voorschrift 2.2.4 is bepaald dat de meetresultaten dienen te worden gecorrigeerd voor het verdunnend effect van bijgemengde (schone) lucht.

Verweerder heeft betoogd dat hij dit voorschrift heeft opgenomen om te garanderen dat er zuivere en nauwkeurige metingen overgelegd worden. Het voorschrift is bedoeld om discussies bij controlemetingen te vermijden, aldus verweerder. De Afdeling ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder dit voorschrift niet in redelijkheid aan de vergunning heeft kunnen verbinden. Dat door de werkwijze van appellante aan dit voorschrift voldaan wordt, maakt dit niet anders.

2.10. Appellante heeft aangevoerd dat voorschrift 2.2.5 ten onrechte is gewijzigd ten opzichte van het ter inzage gelegde ontwerpbesluit. Ingevolge dit voorschrift dienen de emissieconcentratie-eisen zoals opgenomen in voorschrift 2.1.1 beschouwd te worden als bovengrens voor halfuurgemiddelde concentraties. Naar de mening van appellante levert een meting per vier uur of eventueel per twee uur een aanvaardbare weergave op, omdat uit het meetrapport blijkt dat het emissiepatroon sterk wisselt gedurende de batchprocessen.

2.10.1. Verweerder heeft betoogd dat met dit standaardvoorschrift is aangesloten bij de regeling in de Nederlandse Emissie Richtlijn Lucht (hierna: de NeR). Hij staat op het standpunt dat op een representatief moment tijdens de batch gedurende een half uur lucht uit de gereinigde luchtstroom kan worden afgenomen en opgevangen waarna de halfuurgemiddelde waarde bepaald kan worden.

2.10.2. De Afdeling overweegt dat in paragraaf 2.4.3 van de NeR wordt aangegeven dat de concentratie-eisen in het algemeen van toepassing zijn op halfuurgemiddelde waarden. Alleen wanneer emissies zo sterk variëren in tijd dat het opleggen algemene eisen voor halfuurgemiddelde concentraties niet realistisch is, kan de emissieconcentratie worden gemiddeld over een langere periode. Mede gelet op het deskundigenbericht acht de Afdeling het niet aannemelijk dat in de inrichting een zeer sterk wisselend emissiepatroon optreedt, waardoor een halfuurgemiddelde waarde niet realistisch zou zijn. De Afdeling ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder met betrekking tot dit punt niet heeft kunnen aansluiten bij de regeling in de NeR. Verweerder heeft dit voorschrift dan ook in redelijkheid aan de vergunning kunnen verbinden. Dat de emissieconcentratie-eisen als halfuurgemiddelde gelden, betekent overigens niet, zoals appellante vreest, dat elk half uur gemeten dient te worden.

2.11. Appellante heeft bezwaar tegen het aan de vergunning verbinden van voorschrift 2.4.1. Zij acht een optisch en akoestisch signaal overbodig; de gaswassers zouden speciaal hiervoor moeten worden aangepast, aldus appellante. Voorschrift 2.4.2 acht appellante overbodig omdat zij de gaswassers dagelijks of wekelijks controleert.

Verweerder heeft ter zitting en in zijn brieven van 3 oktober 2003 en 22 maart 2004 te kennen gegeven dat voorschrift 2.4.1 kan vervallen indien voorschriften worden opgenomen van organisatorische aard en dat voorschrift 2.4.2 in dat geval overbodig is. Hij heeft verzocht deze voorschriften te vernietigen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat de voorschriften 2.4.1 en 2.4.2 in strijd is met het beginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen. Deze beroepsgrond treft doel.

2.12. Appellante is van mening dat de geluidvoorschriften 3.2.1 en 3.2.2, gelet op voorschrift 3.1.1, dienen te vervallen.

De Afdeling overweegt dat deze voorschriften de plaats en meethoogte aangeven waar de geluidgrenswaarden van voorschrift 3.1.1 gelden. Deze voorschriften zijn derhalve relevant om te bepalen of de inrichting aan de geluidgrenswaarden voldoet. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze voorschriften aan de vergunning dienen te worden verbonden. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.13. Appellante heeft bezwaar tegen de voorschriften 5.1.1 en 5.1.2, omdat de afvalcode vooraf niet bekend is en naar haar mening niet is aan te geven welke stoffen afval zijn en welke eindproduct.

In voorschrift 5.1.1 is onder meer bepaald dat per ontvangen of afgegeven partij, ten minste de omschrijving van de aard en samenstelling en de afvalstofcode (overeenkomstig de afvalstofcodelijst) moet worden geregistreerd.

In voorschrift 5.1.2 is onder meer bepaald dat voor 1 juli van elk kalenderjaar aan gedeputeerde staten een overzicht gestuurd dient te worden van de volgende gegevens over het voorgaande jaar: de hoeveelheid binnen de inrichting vrijgekomen deelstromen die kunnen worden hergebruikt, onderverdeeld naar afvalstofcode (voor zover mogelijk) en ontvangstadres van deze deelstromen en de hoeveelheid binnen de inrichting vrijgekomen eindproducten die kunnen worden hergebruikt, onderverdeeld naar afvalstofcode (voor zover mogelijk) en ontvangstadres van deze eindproducten.

De Afdeling overweegt dat uit de bovengenoemde voorschriften niet volgt dat appellante de afvalstoffen voordat deze de inrichting binnen komen reeds moet voorzien van een afvalstofcode. Bij de ontvangst van de afvalstoffen in de inrichting kan een code worden toegekend. De Afdeling ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden voor het oordeel dat verweerder deze voorschriften niet in redelijkheid aan de vergunning heeft kunnen verbinden. Met betrekking tot voorschrift 5.1.2, aanhef en onder c, waarin een overzicht wordt geëist van de hoeveelheid binnen de inrichting vrijgekomen eindproducten die kunnen worden hergebruikt, onderverdeeld naar afvalstofcode (voor zover mogelijk) en ontvangstadres van deze eindproducten, overweegt de Afdeling dat verweerder in zijn brief van

22 maart 2004 te kennen heeft gegeven dat dit voorschrift niet noodzakelijk is, zodat voorschrift 5.1.2, onderdeel c, vernietigd dient te worden wegens strijd met het beginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

2.14. Appellante heeft bezwaar tegen voorschrift 5.1.3. Zij registreert de daarin bedoelde gegevens niet maandelijks, maar bij de aan- en afvoer van de stoffen.

De Afdeling is van oordeel dat dit voorschrift niet te bezwarend is voor appellante en dat verweerder dit voorschrift in redelijkheid aan de vergunning heeft kunnen verbinden, nu gebleken is dat appellante met haar huidige werkwijze reeds aan het voorschrift voldoet. Het bezwaar treft geen doel.

2.15. Appellante heeft aangevoerd dat de toegestane perioden van opslag in de voorschriften 5.2.1 en 5.2.2 te krap zijn.

In voorschrift 5.2.1 is bepaald dat voorzover in de voorschriften geen kortere termijn is genoemd, afvalstoffen niet langer dan één jaar in de inrichting mogen worden opgeslagen.

In voorschrift 5.2.2 is bepaald dat, indien de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing, de opslag in afwijking van voorschrift 5.2.1 gedurende ten hoogste drie jaar mag plaatsvinden.

De Afdeling overweegt dat artikel 11e van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen voorziet in een verplichting voor het bevoegd gezag om voorschriften aan een vergunning voor een inrichting voor het opslaan van afvalstoffen te verbinden die bepalen dat het opslaan van afvalstoffen is toegestaan voor de maximale termijnen als genoemd in dit artikel. De Afdeling stelt vast dat verweerder met het verbinden van voornoemde voorschriften 5.2.1 en 5.2.2 aan de milieuvergunning uitvoering heeft gegeven aan deze verplichting. Gelet hierop treft het beroep ook in zoverre geen doel.

2.16. Appellante heeft met betrekking tot de opslag van gevaarlijke stoffen betoogd dat in voorschrift 9.1.1 ten onrechte de voorschriften 6.4.1 tot en met 6.4.4 en 6.6.1 uit de CPR 15-1 van toepassing zijn verklaard. Met betrekking tot de eerst genoemde voorschriften is appellante van mening dat haar eigen etikettering voldoende is. Ten aanzien van voorschrift 6.6.1 heeft appellante betoogd dat de instructies in de kantine aanwezig zijn omdat een deel van de gebouwen open is.

2.16.1. Met betrekking tot de voorschriften 6.4.1 tot en met 6.4.4 overweegt de Afdeling dat op grond van de CPR 15-1 de etiketteringsplicht alleen geldt voor gevaarlijke stoffen die vallen onder de bepalingen van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten. De Afdeling is van oordeel dat verweerder deze voorschriften in redelijkheid aan de vergunning heeft kunnen verbinden. Dat appellante ook een zelfgekozen systeem van etikettering hanteert, maakt dit niet anders.

2.16.2. Ten aanzien van voorschrift 6.6.1 overweegt de Afdeling dat gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, de instructies niet slechts bedoeld zijn voor het personeel van appellante dat in de inrichting aanwezig is. Deze instructies zijn eveneens van belang voor hulpverleners bij calamiteiten. Nu deze van buiten de inrichting komen, dienen de instructies op een voor hen logische plaats aanwezig te zijn. Hiervoor komen de opslaggebouwen zelf het meest in aanmerking. Aannemelijk is dat dit voorschrift geen onevenredig kosten voor appellante meebrengt. De Afdeling ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat verweerder dit voorschrift niet in redelijkheid aan de vergunning heeft kunnen verbinden.

2.17. Appellante heeft bezwaar tegen voorschrift 9.1.2, waarin wordt verwezen naar de voorschriften 4.1.5 en 4.1.6 uit de CPR 15-2. Appellante wijst er op dat de laad- en losplaats incidenteel wordt gebruikt en dat de chemicaliën verpakt zijn.

De Afdeling overweegt dat de richtlijn CPR 15-2 betrekking heeft op de opslag van gevaarlijke stoffen, chemische afvalstoffen en bestrijdingsmiddelen in emballage vanaf 10 ton. Niet betwist is dat in de inrichting wordt gewerkt met chemicaliën die schade aan het milieu kunnen toebrengen indien zij in de bodem komen. De Afdeling ziet in het betoog van appellante geen grond voor het oordeel dat verweerder wat de eisen aan de laad- en losplaats betreft niet heeft kunnen aansluiten bij de richtlijn CPR 15-2. Het feit dat de chemicaliën naar de stelling van appellante verpakt zijn, doet hier niet aan af. Niet is gebleken van redenen waarom de voorschriften 4.1.5 en 4.1.6 waaraan ingevolge voorschrift 9.1.2 moet worden voldaan voor appellante als onnodig bezwarend zouden moeten worden aangemerkt. Het bezwaar faalt.

2.18. Appellante heeft betoogd dat in voorschrift 9.1.1 ten onrechte de voorschriften 11.1.6, 11.1.7, 11.7.1 en 11.7.2 van de CPR 15-1 zijn opgenomen, en dat de voorschriften 9.4.9, 9.5.2 en 10.1.3 dienen te vervallen.

Verweerder heeft erkend dat deze voorschriften niet aan de vergunning behoefden te worden verbonden. De Afdeling is van oordeel dat het bestreden besluit voor wat deze voorschriften betreft, is genomen in strijd met het beginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen. Het beroep treft in zoverre doel.

2.19. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond wat betreft de voorschriften 1.1.1, 2.4.1, 2.4.2, 5.1.2 onder c, 9.1.1 voorzover dit ziet op de voorschriften 11.1.6, 11.1.7, 11.7.1 en 11.7.2 van de CPR 15-1, alsmede wat betreft de voorschriften 9.4.9, 9.5.2 en 10.1.3. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

2.20. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het voorschrift 2.2.1 betreft;

II. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 29 april 2003, kenmerk 904564, voorzover het de voorschriften 1.1.1, 2.4.1, 2.4.2, 5.1.2 onder c betreft, voorschrift 9.1.1 voorzover dit ziet op de voorschriften 11.1.6, 11.1.7, 11.7.1 en 11.7.2 van de CPR 15-1, alsmede wat de voorschriften 9.4.9, 9.5.2 en 10.1.3. betreft;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.I. van Koten, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Koten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2004

324.