Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9195

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
12-05-2004
Zaaknummer
200303396/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2003, kenmerk N01/0046 MD 2001, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de Milieudienst van de gemeente Amsterdam een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een gronddepot voor het tijdelijk opslaan van grond op het perceel, kadastraal bekend gemeente Nieuwendam, sectie C01, nummer 763 (gedeeltelijk). Dit besluit is op 16 april 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303396/1.

Datum uitspraak: 12 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2003, kenmerk N01/0046 MD 2001, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de Milieudienst van de gemeente Amsterdam een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een gronddepot voor het tijdelijk opslaan van grond op het perceel, kadastraal bekend gemeente Nieuwendam, sectie C01, nummer 763 (gedeeltelijk). Dit besluit is op 16 april 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 26 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 juni 2003.

Bij brief van 1 augustus 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 november 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2004, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. X. Visscher, advocaat te Purmerend, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. K.M. Karssen-Hoogerwerf, B. Abma en V.P. Fournadjiev, ambtenaren van de gemeente,

zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de inrichting wordt een water-grondmengsel vanuit de bakkenzuiger aan het Noord-Hollands Kanaal en het tijdelijk overslagdepot Het Schouw opgeslagen. De hydraulisch aangevoerde grond wordt in de eerste fase van de bedrijfsvoering in compartimenten opgeslagen ten behoeve van de sanering van de Volgermeerpolder. In de tweede fase zal naast de aanvoer van grond maximaal 25% van de opgeslagen grond vanuit de inrichting naar de Volgermeerpolder worden getransporteerd. De overige 75% wordt in de vorm van een water-grondmengsel door een persleiding naar de Volgermeerpolder gepompt. Het overtollige transportwater dat afkomstig is uit de compartimenten wordt verzameld in een centraal waterbassin en via een retourpersleiding teruggevoerd naar het overslagdepot Het Schouw. In de inrichting kan maximaal 1.200.000 m3 grond worden opgeslagen.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellant vreest geluidhinder vanwege de inrichting. Hij stelt dat de voorgeschreven equivalente geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn. Appellant betoogt hiertoe dat ten onrechte het omkasten van het tussenstation en het aanleggen van een geluidscherm niet zijn voorgeschreven. Appellant voert in dit kader nog aan dat in de aanvraag noch in het bestreden besluit is aangegeven welk percentage van de dagperiode de inrichting in werking is. Bovendien is de geluidhinder als gevolg van het in werking zijn van de aanvoer- en retourleiding en de grondpers ten onrechte niet onderzocht. Appellant stelt voorts dat verweerder de hoogte van de maximale geluidgrenswaarden onvoldoende heeft gemotiveerd en vreest dat deze waarden evenmin naleefbaar zijn.

2.3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de equivalente geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd. Bij het opstellen van de voorschriften is verweerder uitgegaan van de meest milieubelastende situatie, te weten een bedrijfsduur van 100% in de dagperiode. Hoewel volgens verweerder uit het akoestisch onderzoeksrapport, dat deel uitmaakt van de aanvraag, blijkt dat de equivalente geluidgrenswaarden bij omkasting van de pompen en een bedrijfsduur van 100% in de dagperiode met maximaal 1,8 dB(A) worden overschreden, acht hij het niet noodzakelijk om een geluidscherm voor te schrijven, aangezien de inrichting in de praktijk niet 100% van de dagperiode in werking zal zijn. Vanwege de aard van de werkzaamheden is volgens verweerder niet precies aan te geven wat de bedrijfsduur van de inrichting zal zijn. Verweerder betoogt voorts dat voorschrift C.7, waarin is bepaald dat alle pompen moeten zijn omkast, zowel op de retourpomp als op het tussenstation, dat uit verschillende pompen bestaat, ziet. De geluidbelasting van de aanvoer- en retourleiding en de grondpers is zijns inziens nihil. Gelet op het vorenstaande heeft hij het niet noodzakelijk geacht een akoestisch onderzoek hiernaar te verrichten. Wat betreft de hoogte van de maximale geluidgrenswaarden heeft verweerder zich aangesloten bij de verwachting in het akoestisch onderzoeksrapport dat het maximale geluidniveau niet meer dan 10 dB(A) hoger dan het berekende equivalente geluidniveau zal zijn.

2.3.2. Ingevolge voorschrift C.1 mag het equivalente geluidniveau (LAeq), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties ter plaatse van de bakkenzuiger en de daarin verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, op de gevels (exclusief gevelreflectie) van de woningen aan de Broekergouw 10, 23, 16 en 22 niet meer bedragen dan respectievelijk 43, 44, 43 en 43 dB(A).

Ingevolge voorschrift C.3 mag het maximale geluidniveau (Lmax), de hoogste waarden gemeten in de meterstand fast, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en de daarin verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, niet meer bedragen dan 10 dB boven de getalswaarde genoemd in voorschrift 1 van dit hoofdstuk.

Ingevolge voorschrift C.4 moet vergunninghouder een akoestisch rapport opstellen met betrekking tot de naleefbaarheid van de vergunning.

Ingevolge voorschrift C.7 moeten alle pompen ten allen tijde zijn omkast.

2.3.3. Wat betreft de naleefbaarheid van de geluidgrenswaarden overweegt de Afdeling als volgt.

Verweerder heeft zich bij de vergunningverlening mede gebaseerd op de door Omegam opgestelde akoestisch onderzoeksrapporten van 19 februari 2002 en 23 mei 2002, kenmerken 1729/3 en 1813, die behoren tot de aanvraag. Deze rapporten maken geen deel uit van de vergunning, omdat volgens verweerder onduidelijk was met welke emissieniveaus feitelijk rekening zou moeten worden gehouden. In verband hiermee heeft verweerder in voorschrift C.4 het verrichten van een akoestisch onderzoek opgelegd. Uit het eerstgenoemde rapport blijkt dat pas bij een bedrijfsduur van ten hoogste 50% van de dagperiode en het omkasten van de pompen aan het equivalente geluidniveau kan worden voldaan. De Afdeling constateert dat in voorschrift C.7 is bepaald dat alle pompen moeten zijn omkast. In de vergunning is echter niet voorgeschreven dat de inrichting slechts ten hoogste 50% van de dagperiode in werking mag zijn. De in het tweede rapport voorgestelde maatregel, te weten het plaatsen van een vier meter hoog scherm, is evenmin in een voorschrift vastgelegd. Uit het deskundigenbericht van de StAB blijkt voorts dat in beide akoestisch onderzoeksrapporten geen rekening is gehouden met alle in de inrichting aanwezige geluidbronnen. Bovendien is in de modellering voorbijgegaan aan de plaatselijke hoogteverschillen. Tenslotte is het niet onwaarschijnlijk, gelet op de afstand van de inrichting tot de woning van appellant, dat de niet in de akoestisch onderzoeken meegenomen geluidbelasting van de shovel zal leiden tot overschrijding van het Lmax.

Gelet op het vorenstaande bestaat onvoldoende duidelijkheid ten aanzien van de door inrichting veroorzaakte geluidbelasting. Dat een nader akoestisch rapport is voorgeschreven, vermag hieraan niet af te doen. Met betrekking tot het nadere akoestisch onderzoeksrapport dat in opdracht van vergunninghouder na het bestreden besluit door Tauw B.V. op 24 november 2003 is opgesteld overweegt de Afdeling dat hierin geen rekening is gehouden met de geluidbelasting van het vergunde tussenstation en dat de situering van de retourpomp afwijkt van de vergunde locatie. Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig is voorbereid.

2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in verband met het vorenstaande geheel te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige gronden geen bespreking meer.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 16 april 2003, kenmerk N01/0046 MD 2001;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 678,98, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Amsterdam te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de gemeente Amsterdam aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2004

191-353.