Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9191

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
12-05-2004
Zaaknummer
200300926/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2002, kenmerk 2.01.0109, hebben verweerders aan appellante voor onbepaalde tijd een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) verleend voor het lozen van afvalstoffen, verontreinigende en schadelijke stoffen op het oppervlaktewater. Dit besluit is op 6 januari 2003 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet verontreiniging oppervlaktewateren
Wet verontreiniging oppervlaktewateren 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/1090
M en R 2004, 100
Milieurecht Totaal 2004/4434

Uitspraak

200300926/1.

Datum uitspraak: 12 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2002, kenmerk 2.01.0109, hebben verweerders aan appellante voor onbepaalde tijd een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) verleend voor het lozen van afvalstoffen, verontreinigende en schadelijke stoffen op het oppervlaktewater. Dit besluit is op 6 januari 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 12 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 februari 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 maart 2003.

Bij brief van 15 mei 2003 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 9 september 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.R. de Jongh, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door P.J.J. Oosterling, R. Akkermans en H. Bouman, allen ambtenaar van het Hoogheemraadschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Wvo worden aan een vergunning voorschriften verbonden tot bescherming van de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de Wvo zijn met betrekking tot een vergunning, als de onderhavige, onder meer de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de lozing kan veroorzaken voor de kwaliteit van het oppervlaktewater door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder j, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij is bepaald dat dit besluit van toepassing is op het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen nabij oppervlaktewater ten gevolge van agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden, met uitzondering van het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen ten gevolge van respectievelijk bij de teelt van bloembollen en –knollen in gebieden die in bijlage II bij dit besluit zijn aangewezen als gespecialiseerde bollenteeltgebieden.

Het onderhavige bedrijf betreft een bloembollenteeltbedrijf. Ongeveer 60 hectare van het bedrijf is gelegen in een gebied dat in bijlage II van het voornoemde besluit is aangewezen als een gespecialiseerd bollenteeltgebied. De onderhavige vergunning heeft betrekking op het op het oppervlaktewater lozen van afvalstoffen, verontreinigende en schadelijke stoffen afkomstig van de in dit gebied gelegen percelen, verharde terreinen en gebouwen van het bedrijf.

2.3. Appellante kan zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 9, onder 2, waarin de spuit- en teeltvrije zones zijn vastgelegd. Volgens haar zijn deze zones te breed. Zij wijst erop dat zij gebruik maakt van een spuittechniek die valt in de klasse “verbeterd driftarm”. Zij meent dat gelet hierop voor de zones kan worden volstaan met een breedte van één meter.

2.3.1. Verweerders achten de in voorschrift 9, onder 2, bedoelde zones nodig ter bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Zij wijzen erop dat zij zich bij het vaststellen van deze zones onder meer hebben gebaseerd op het conceptrapport “Beoordelingsmethodiek emissiereducerende maatregelen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij” van de subwerkgroep van de Commissie Integraal Waterbeheer van 10 maart 2003 (hierna: het CIW-rapport).

2.3.2. In voorschrift 9, onder 2, is bepaald dat op de percelen de volgende spuit- en teeltvrije zones gelden:

a. langs de sloten parallel gelegen aan de plantrichting van het gewas: 2,25 meter gerekend vanaf de insteek van het oppervlaktewater;

b. langs de sloten gelegen langs de kopakkers: 3,75 meter gerekend vanaf de insteek.

2.3.3. Bij het bestreden besluit is, conform de aanvraag, vergunning verleend voor het uitvoeren van bespuitingen met gebruikmaking van een veldspuit uitgerust met een AirJet lucht/vloeistofdop (hierna: AirJet). Dit is in voorschrift 9, onder 4 en 7, van de vergunning vastgelegd. De AirJet combineert het gebruik van lucht en vloeistof op een dusdanige wijze dat dit moet leiden tot een lager gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het gebruik van deze spuit is in het CIW-rapport aanbevolen.

In het deskundigenbericht van de StAB wordt gesteld dat de spuittechniek die door appellante wordt toegepast in Nederland (nog) niet als een “verbeterd driftarme” maar wel als een “driftarme” spuittechniek mag worden aangemerkt. Ook in het door verweerders gehanteerde CIW-rapport is de spuittechniek aangemerkt als (ten minste) “driftarm”. De Afdeling ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding hieromtrent anders te oordelen.

In het CIW-rapport is aanbevolen bij gebruikmaking van driftarme spuittechnieken, een spuit- en teeltvrije zone van minimaal 1,5 meter in acht te nemen. Ter zitting hebben verweerders toegelicht dat zij zich bij het vaststellen van de in voorschrift 9, onder 2, bedoelde zones niet alleen op het CIW-rapport hebben gebaseerd maar ook op onderzoeksgegevens uit Engeland en op de driftprestaties van de AirJet. Gelet op het vorenstaande alsmede gelet op de stukken ziet de Afdeling in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de in voorschrift 9, onder 2, bedoelde spuit- en teeltvrije zones nodig zijn teneinde de nadelige gevolgen die de lozing kan veroorzaken voor de kwaliteit van het oppervlaktewater in voldoende mate te beperken.

2.4. Appellante kan zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 9, onder 8, waarin is bepaald dat bij een bespuiting gebruik moet worden gemaakt van kantdoppen.

2.4.1. Verweerders stellen dat het gebruik van kantdoppen bij een bespuiting in direct verband staat met de breedte van de in acht te nemen spuit- en teeltvrije zones als bedoeld in voorschrift 9, onder 2. Zij stellen dat indien bij een bespuiting gebruik wordt gemaakt van een AirJet zonder kantdoppen, bredere spuit- en teeltvrije zones moeten worden voorgeschreven. Ter zitting hebben zij toegelicht dat zij met voorschrift 9, onder 8, hebben beoogd te regelen dat de AirJet bij een bespuiting moet zijn voorzien van kantdoppen dan wel van een voorziening die daarmee vergelijkbaar is.

2.4.2. In voorschrift 9, onder 8, is bepaald dat bij een bespuiting gebruik moet worden gemaakt van kantdoppen.

2.4.3. De Afdeling overweegt dat verweerders in voorschrift 9, onder 8, hebben beoogd te regelen dat de AirJet bij een bespuiting moet zijn voorzien van kantdoppen dan wel van een hieraan gelijkwaardige voorziening. Dit is evenwel niet in voorschrift 9, onder 8, vastgelegd. In dit voorschrift is uitsluitend bepaald dat bij een bespuiting gebruik moet worden gemaakt van kantdoppen. Geoordeeld moet dan ook worden dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

Verder is in het deskundigenbericht van de StAB gesteld dat navraag bij de fabrikant van de AirJet heeft uitgewezen dat voor deze spuit nog geen kantdop is ontwikkeld en dat de bestaande kantdoppen niet op dit systeem kunnen worden toegepast. De Afdeling stelt vast dat verweerders niet hebben onderzocht of het voor appellante mogelijk is om kantdoppen op de AirJet aan te brengen. Verder hebben zij niet voldoende onderzocht of deze voorziening nodig is ter bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Naar het oordeel van de Afdeling had het op de weg van verweerders gelegen het vorenstaande te onderzoeken. Nu zij dit hebben nagelaten, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. Dit is in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dat eist dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten.

2.5. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het voorschrift 9, onder 8, betreft.

2.6. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen van 20 december 2002, kenmerk 2.01.0109, voorzover het voorschrift 9, onder 8, betreft;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door het Hoogheemraadschap te worden betaald aan appellante;

V. gelast dat het Hoogheemraadschap aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2004

191-404.