Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8901

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
200308568/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij drie besluiten van 7 augustus 2001 en een besluit van 16 augustus 2001 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) de aan appellant voor de subsidietijdvakken in de periode van 1 juli 1996 tot 1 juli 2001 toegekende huursubsidie nader vastgesteld op nihil en de ten onrechte verstrekte huursubsidie, ten bedrage van in totaal ƒ 12.660,01/€ 5.744,86 teruggevorderd en een boete van ƒ 2.500,00/€ 1.134,45 aan appellant opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200308568/1.

Datum uitspraak: 6 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Arnhem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 november 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister (voorheen de Staatssecretaris) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij drie besluiten van 7 augustus 2001 en een besluit van 16 augustus 2001 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) de aan appellant voor de subsidietijdvakken in de periode van 1 juli 1996 tot 1 juli 2001 toegekende huursubsidie nader vastgesteld op nihil en de ten onrechte verstrekte huursubsidie, ten bedrage van in totaal ƒ 12.660,01/€ 5.744,86 teruggevorderd en een boete van ƒ 2.500,00/€ 1.134,45 aan appellant opgelegd.

Bij besluit van 28 maart 2002 heeft het Hoofd van de Unit Correspondentie op last van de Directeur-Generaal van de Volkshuisvesting voor de Staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 november 2003, verzonden op 7 november 2003, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 januari 2004 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.J.P. van Horne, juridisch medewerkster van het Bureau Rechtshulp Arnhem, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. M.J.C. van Amerongen, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij uitspraak van 25 februari 2004, in zaak nr. 200303658/1 (www.raadvanstate.nl), heeft de Afdeling geoordeeld dat de Regeling ondermandaat DGVH zich niet verdraagt met de daaraan op grond van artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te stellen eisen en dat deze regeling daarom onverbindend is. Gelet hierop is dit besluit in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit bevoegdelijk moet worden genomen, en had het door de rechtbank moeten worden vernietigd. Nu de Minister bij brief van 14 april 2004 heeft medegedeeld dat hij het besluit geheel voor zijn rekening neemt en dit besluit is genomen door een ambtenaar die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is, kan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven als de inhoud van het besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Zoals uit het hierna volgende blijkt, kan het besluit de rechterlijke toets doorstaan en zal de Afdeling derhalve bepalen dat de rechtsgevolgen in stand blijven.

2.2. Ingevolge artikel 1 onder b van de Wet individuele huursubsidie zoals deze tot 1 juli 1997 luidde wordt - voorzover hier van toepassing - onder huurder verstaan degene, die als huurder in het genot van een woning is en daarin zijn hoofdverblijf heeft.

Ingevolge artikel 1 onder c van de sinds 1 juli 1997 geldende Huursubsidiewet wordt - voorzover hier van toepassing - onder huurder verstaan de persoon, die zijn hoofdverblijf heeft in een door hem gehuurde woning.

2.3. In hoger beroep herhaalt appellant tevergeefs dat hij in de betreffende periode van 1 juli 1996 tot 1 juli 2001 op het subsidieadres [locatie] te Arnhem zijn hoofdverblijf heeft gehad en dat dit door de rechtbank niet onderkend is.

2.3.1. De Minister heeft zijn besluit gebaseerd op het door de sociale recherche te Arnhem ingestelde onderzoek inzake uitkeringsfraude, het hierop gebaseerde proces-verbaal van de Dienst Recherche Zaken van zijn ministerie en de nader ingewonnen informatie bij het Juridisch Bureau Inwonerszaken van de gemeente Arnhem.

2.3.2. Het betoog van appellant dat dit besluit een zorgvuldige voorbereiding ontbeert, faalt. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat de Minister zich niet zonder eigen onderzoek van diens departement mocht aansluiten bij het door de Sociale Recherche in opdracht van de Dienst Sociale Zaken van de gemeente Arnhem uitgevoerde onderzoek en baseren op de daaruit blijkende feiten. Het in dit verband door appellant gedaan beroep op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2002 (JABW 2003/44) en 30 december 2003 (JWWB 2004/72) kan niet slagen. Anders dan in de daar aan de orde zijnde gevallen beschikte de Minister wel over de volledige, authentieke processen-verbaal van de Sociale Recherche en heeft hij zich dus niet gebaseerd op samenvattingen van die processen-verbaal zonder zich van de juistheid daarvan te kunnen vergewissen. De omstandigheid dat de Algemene Bijstandswet geheel andere uitgangspunten kent dan de Wet individuele huursubsidie en Huursubsidiewet is onvoldoende voor de conclusie dat de Minister zich niet mocht aansluiten bij het door de Sociale Recherche verrichte onderzoek.

2.3.3. Het door appellant gedane beroep op de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2000, no. H01.98.2011, kan niet slagen.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant niet voldoet aan het in die uitspraak door de Staatssecretaris uiteengezette toetsingskader voor de uitleg van het begrip hoofdverblijf. Gelet op het feitelijk, langdurig verblijf elders van appellant is geen sprake van een bijzonder geval waarin op grond van het hier toepasselijke beleid van de Minister toch het subsidieadres kan worden aangemerkt als hoofdverblijf voor de toepassing van de Wet individuele huursubsidie respectievelijk de Huursubsidiewet. Dit beleid is, anders dan dat bedoeld in vorenbedoelde uitspraak van 20 januari 2000, niet te beperkt als bedoeld in die uitspraak en verdraagt zich wel met het begrip hoofdverblijf.

2.4. De rechtbank heeft mitsdien terecht overwogen dat de Minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat appellant niet als huurder in de zin van de Wet individuele huursubsidie en de Huursubsidiewet kan worden aangemerkt en dat de Minister de toegekende bijdragen voor de onderhavige tijdvakken niet ten onrechte nader heeft vastgesteld op nihil, terwijl omstandigheden op grond waarvan de Minister had behoren af te zien van terugvordering niet zijn gesteld.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het bij de rechtbank ingestelde beroep dient alsnog gegrond te worden verklaard. De bestreden beslissing op bezwaar komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

2.6. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten in beroep en hoger beroep te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 november 2003, 02/951;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 maart 2002, Awb362/VBSB/719;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder IV bedoelde besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.318,51, waarvan een gedeelte groot € 1.288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 284,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Sparreboom

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004

195-209.