Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8898

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
200307851/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2003 heeft verweerder krachtens artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen gesteld met betrekking tot de inrichting van appellant op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Nuenen, sectie […], nummer […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200307851/1.

Datum uitspraak: 6 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] handelend onder de naam “Twin Scooters”, wonend te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nuenen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2003 heeft verweerder krachtens artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen gesteld met betrekking tot de inrichting van appellant op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Nuenen, sectie […], nummer […].

Bij besluit van 7 oktober 2003, verzonden op 14 oktober 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 24 november 2003, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op die dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 januari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2004, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, advocaat te Leusden, en verweerder, vertegenwoordigd door J.J.M. van der Eerden, gemachtigde, zijn verschenen. Voorts zijn [partij A], vertegenwoordigd door mr. F.J.W.T. Lamers-Litjens, advocaat te Lieshout, en [partij B], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, voorzover hier van belang, kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot de in bijlage 2 bij het Besluit opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, voorzover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven.

Ingevolge voorschrift 4.1.4 van bijlage 2 bij het Besluit, voorzover hier van belang, kan het bevoegd gezag een nadere eis stellen met betrekking tot de voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht, en gedragsregels die in acht moeten worden genomen teneinde aan voorschrift 1.1.1 te voldoen.

Ingevolge voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 bij het Besluit, voorzover hier van belang, geldt voor het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, dat het niveau op de gevel van woningen niet meer mag bedragen dan 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer de volgende nadere eisen gesteld:

”1. Er mag uitsluitend in de periode van 07.00 tot 19.00 uur gebruik worden gemaakt van de testbank. Als de testbank wordt gebruikt moeten buitendeuren gesloten blijven.”

”3. Gedurende de avond- en nachtperiode, tussen 19.00 en 07.00, moet de winkel gesloten zijn, mogen geen brommers ter reparatie worden aangenomen en mogen geen testritten worden uitgevoerd. Onder testritten wordt mede verstaan proefdraaien op de standaard. In afwijking hiervan mag de winkel gedurende een (koop)avond per week geopend zijn. Tijdens een koopavond mogen brommers ter reparatie worden aangenomen, maar geen testritten worden uitgevoerd.”

2.3. Appellant kan zich niet met de nadere eisen 1 en 3 verenigen en heeft gesteld dat hij onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Hij heeft betoogd dat deze nadere eisen een beperking van zijn bedrijfsvoering inhouden en een aanmerkelijke omzetdaling tot gevolg zullen hebben. Voorts is hij van mening dat alternatieve maatregelen, zoals het plaatsen van een hekwerk, mogelijk zijn om aan de geluidnormen te voldoen en dat zijn eerdere voorstellen daartoe door verweerder ten onrechte niet zijn betrokken bij de afweging. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de inrichting, gelet op het rapport “Indirecte hinder Twin Scooters te Gerwen” van 23 mei 2002 van de milieudienst regio Eindhoven (hierna: het rapport indirecte geluidhinder), op het punt van de verkeersaantrekkende werking niet in overtreding is. Verder heeft hij gesteld dat in het rapport “Optredende geluidniveaus t.g.v. scooters op het terrein van de inrichting” van 23 mei 2002 van de milieudienst regio Eindhoven (hierna: het geluidrapport), onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd wat betreft het bronvermogen van scooters en het aantal scooters dat de inrichting bezoekt.

2.4. Verweerder heeft de nadere eisen 1 en 3 gesteld omdat de inrichting volgens hem niet aan de geluidnormen van voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 bij het Besluit kan voldoen. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij daartoe bevoegd was op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit en voorschrift 4.1.4 van bijlage 2 bij het Besluit. Voorts heeft verweerder gesteld dat hij een redelijke afweging heeft gemaakt tussen de belangen van appellant en de belangen van omwonenden en dat de gestelde nadere eisen in dit geval noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan de geluidvoorschriften uit de bijlage bij het Besluit. Verweerder heeft zich bij zijn afweging gebaseerd op het geluidrapport, waarin onder meer de resultaten zijn weergeven van metingen en berekeningen met betrekking tot de geluidniveaus, veroorzaakt door de in en direct bij de inrichting aanwezige scooters. De metingen en berekeningen zijn volgens verweerder uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1981.

2.5. Blijkens het geluidrapport worden op een gemiddelde dag de grenswaarden voor het equivalente geluidniveau op de gevels van woningen overschreden met 2 dB(A) en 6 dB(A) in respectievelijk de dag- en avondperiode. Op een drukke dag bedraagt de overschrijding 4 dB(A) in de dagperiode en 11 dB(A) in de avondperiode. Bij de berekeningen is er, op basis van door appellant overgelegde informatie hieromtrent, van uitgegaan dat op een gemiddelde dag de inrichting in de dag- en avondperiode wordt bezocht door respectievelijk 18 en 3 scooters. Op een drukke dag wordt de inrichting in de dag- en avondperiode bezocht door respectievelijk 30 en 9 scooters. Voorts is in het geluidrapport als uitgangspunt genomen dat het bronvermogen van een scooter 102 dB(A) bedraagt. De Afdeling overweegt dat, nu door appellant niet aannemelijk is gemaakt dat het in het geluidrapport gehanteerde bronvermogen voor een gemiddelde aan het verkeer deelnemende scooter onjuist is, verweerder er van heeft kunnen uitgaan dat de inrichting niet kan voldoen aan de geluidgrenswaarden van voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 bij het Besluit. Verweerder was derhalve, gelet op artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit en voorschrift 4.1.4 van bijlage 2 bij het Besluit, in zoverre bevoegd om nadere eisen te stellen met betrekking tot de voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht, en gedragsregels die in acht moeten worden genomen. Dat volgens appellant de inrichting blijkens het rapport indirecte geluidhinder op het punt van de verkeersaantrekkende werking niet in overtreding is kan, wat hier ook van zij, daar niet aan afdoen.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder bij zijn afweging mede betrokken de door appellant voorgestelde alternatieve maatregel van het plaatsen van een hekwerk rondom de inrichting maar deze maatregel kan volgens hem, onder meer gelet op het door scooters veroorzaakte geluidniveau, de overschrijding van de geluidgrenswaarden niet ongedaan maken. Verweerder heeft de gestelde nadere eisen in de lokale situatie noodzakelijk geacht. De Afdeling ziet, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de nadere eisen 1 en 3 in redelijkheid niet heeft kunnen stellen.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004

312-431.