Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8892

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
200307753/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2000 heeft de korpschef van de politieregio Utrecht (hierna: de korpschef) aan appellant meegedeeld de toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wet pbr) te onthouden voor het door hem verrichten van - onder meer – portierswerkzaamheden voor Euro Beveiliging B.V. te Nieuwegein.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200307753/1.

Datum uitspraak: 6 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 november 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de korpschef van de politieregio Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2000 heeft de korpschef van de politieregio Utrecht (hierna: de korpschef) aan appellant meegedeeld de toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wet pbr) te onthouden voor het door hem verrichten van - onder meer – portierswerkzaamheden voor Euro Beveiliging B.V. te Nieuwegein.

Bij besluit van 21 augustus 2002 heeft de korpschef aan appellant meegedeeld de toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet pbr te onthouden voor het door appellant verrichten van portierswerkzaamheden voor ICU Security te Utrecht, onder verwijzing naar zijn besluit van 12 oktober 2000.

Bij besluit van 4 oktober 2002 heeft de korpschef het tegen het besluit van 21 augustus 2002 door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 november 2003, verzonden op 6 november 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 december 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 januari 2004 heeft de korpschef van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. D.E. Blonk en G.B.A. van der Wulp, beiden werkzaam bij de politieregio Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende grond is gelegen voor het oordeel dat er sprake is van een niet ongeloofwaardige ontkenning van de ontvangst van het besluit van 12 oktober 2000. Nu appellant tegen het besluit van 12 oktober 2000 geen bezwaarschrift heeft ingediend, is dit besluit in rechte onaantastbaar.

2.2. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

2.3. De Afdeling sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat van nieuwe feiten en omstandigheden als in evengenoemde bepaling bedoeld geen sprake was. Ook de Afdeling is van oordeel dat de door appellant gestelde omstandigheden dat hij de cursus “horecaportier” heeft afgerond en dat hij via de sociale dienst niet aan het werk kan komen, niet zijn aan te merken als zodanige omstandigheden. De rechtbank heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd dan ook terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat de korpschef ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

De door appellant ter zitting bij de rechtbank met een beroep op het gelijkheidsbeginsel genoemde gevallen kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Niet valt in te zien dat appellant die niet eerder in de procedure naar voren heeft kunnen brengen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Peute

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004

391.