Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8888

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
200306605/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juli 2003, kenmerk 530274, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [appellant] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het importeren, exporteren, bewaren en bewerken van gebruikte vrachtwagens, vrachtwagenonderdelen, wrakken van vrachtwagens/schadeauto’s, compressoren en de onderdelen daarvan, op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 25 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Besluit beheer autowrakken
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2004/33 met annotatie van Van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2004/2523

Uitspraak

200306605/1.

Datum uitspraak: 6 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2003, kenmerk 530274, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [appellant] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het importeren, exporteren, bewaren en bewerken van gebruikte vrachtwagens, vrachtwagenonderdelen, wrakken van vrachtwagens/schadeauto’s, compressoren en de onderdelen daarvan, op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 25 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 3 oktober 2003, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 9 december 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 5 februari 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2004, waar appellant in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. I. Wulffelé en ing. A. Oldenkamp, beiden ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het beroep van appellant richt zich tegen voorschrift 11.4.10, waarin, kort weergegeven, is bepaald van welke stoffen, preparaten of andere producten (bedrijfs)autowrakken moeten worden ontdaan. Appellant acht dit voorschrift onnodig bezwarend. In dit verband heeft hij onder meer aangevoerd dat verweerder zich bij het stellen van dit voorschrift ten onrechte heeft gebaseerd op voorschrift C, onder 6, van de Bijlage behorende bij artikel 5, eerste lid, van het Besluit beheer autowrakken (hierna: het Bba). Naar zijn mening ziet het Bba uitsluitend op autowrakken zoals die zijn gedefinieerd in artikel 1, onder a en b, van het Besluit, en niet op wrakken zwaarder dan 3500 kilogram.

2.2. Verweerder heeft bij de invulling van zijn beoordelingsvrijheid met betrekking tot het doelmatig beheer van vrachtautowrakken aansluiting gezocht bij sectorplan 11 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2002 – 2012. In dit plan is het beleid weergegeven ten aanzien van autoafval, waaronder onder meer worden begrepen autowrakken als bedoeld in het Bba. Voor het be- en verwerken van autowrakken is de demontage volgens de voorschriften van het Bba als minimumstandaard aanbevolen. Gelet op de aanbeveling in het sectorplan om voor het beheer van andere wrakken aan te sluiten bij dit sectorplan, heeft verweerder bij het stellen van dit voorschrift gemeend dat wat de demontage van autowrakken zwaarder dan 3500 kilogram betreft eveneens aansluiting kan worden gezocht bij de voorschriften uit het Bba.

2.3. In het kader van het onderhavige beroep is een deskundigenbericht uitgebracht door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening. In dit advies komt de deskundige tot de conclusie dat, samengevat weergegeven, de minimumstandaard voor de demontage van personenauto’s, zoals vastgelegd in het Bba, niet zonder meer van toepassing kan worden verklaard op de demontage van vrachtauto’s. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat, gelet op de inhoud van bedoeld advies, voorschrift 11.4.10, voorzover de hierin opgenomen verplichtingen betrekking hebben op bedrijfsautowrakken, wat hem betreft voor vernietiging in aanmerking komt.

2.4. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig heeft voorbereid. Het betwiste voorschrift komt dan ook voor vernietiging in aanmerking voorzover het betrekking heeft op bedrijfsautowrakken. De Afdeling overweegt hierbij dat wat betreft de definitiebepaling van de in voorschrift 11.4.10 opgenomen begrippen bedrijfsautowrak en autowrak, tussen partijen niet in geschil is dat een autowrak een wrak is zoals omschreven in artikel 1, onder a en b, van het Bba, zijnde een voertuig met een maximum gewicht van 3500 kilogram, en dat een bedrijfsautowrak een autowrak is met een gewicht van meer dan 3500 kilogram.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover voorschrift 11.4.10 betrekking heeft op bedrijfsautowrakken.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 29 juli 2003, kenmerk 530274, voorzover voorschrift 11.4.10 betrekking heeft op bedrijfsautowrakken;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Fryslân in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 138,96; het bedrag dient door de provincie Fryslân te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de provincie Fryslân aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. M. Oosting en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Scheerhout

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004

318.