Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8885

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
200306384/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu zonder vergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de VHB een ligplaats is ingenomen en het college die vergunning terecht heeft geweigerd, was het college bevoegd om handhavend op te treden. Uit het voorgaande volgt dat geen zicht bestaat op legalisatie van het innemen van een ligplaats door het vaartuig. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aan handhaving in de weg stonden. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat het college de aanzegging van bestuursdwang terecht heeft gehandhaafd. De voorzieningenrechter is tot dezelfde slotsom gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200306384/1.

Datum uitspraak: 6 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 19 september 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) geweigerd appellant vergunning te verlenen voor het innemen van een ligplaats aan de [locatie] te Amsterdam met de woonboot [naam boot], ten tijde van die beslissing inmiddels genaamd [naam boot] (hierna: het vaartuig).

Bij besluit van 22 mei 2002 heeft het college appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast het vaartuig vóór 19 juni 2002 uit de wateren van Amsterdam te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 13 maart 2003 heeft het college de tegen deze besluiten door appellant gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 december 2003 heeft het college de Afdeling bericht niet van antwoord te zullen dienen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college en appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door E.P. Blaauw, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening op de Haven en het Binnenwater (hierna: de VHB), eerste volzin, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders met een woonboot ligplaats in te nemen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel, voorzover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders de vergunning weigeren in het belang van de ordening van het gebruik van het water, de openbare orde, de veiligheid, het milieu en het stadsschoon.

2.2. Het beleid ten aanzien van (onder meer) woonboten is neergelegd in de “Nota Amsterdam te water 1995” en nadien geëvalueerd in het “Evaluatierapport van de Nota Amsterdam te Water 1995” en aangepast in de “Regeling speciale ligplaatsvergunningen”. Dat beleid komt er (kort samengevat) op neer dat thans nog slechts ligplaatsvergunning kan worden verleend indien een vaartuig vanaf 1984 als bewoond woonschip in het beheersgebied van het college of vanaf 1989 als woonschip in het Havenatlasgebied aanwezig was (de zogenoemde gedoogrondes). De Afdeling is van oordeel dat van dit beleid niet kan worden gezegd dat daarmee buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gekomen. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond de voorzieningenrechter niet te volgen in haar oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn oordeel dat het vaartuig niet op grond van de gedoogronde 1989 voor een ligplaatsvergunning in aanmerking kwam. Evenals de voorzieningenrechter acht de Afdeling niet aangetoond dat het vaartuig destijds als woonboot in het Havenatlasgebied lag. De door appellant overgelegde foto’s en stukken staven het namens hem gestelde niet. Ook de omstandigheid dat appellant, naar hij stelt, al lange tijd een woonboot bewoont, vormt geen grond die tot afwijking van het beleid noopte. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, kan dan ook niet leiden tot een ander oordeel dan dat waartoe de voorzieningenrechter is gekomen.

2.3. Nu zonder vergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de VHB een ligplaats is ingenomen en het college die vergunning terecht heeft geweigerd, was het college bevoegd om handhavend op te treden. Uit het voorgaande volgt dat geen zicht bestaat op legalisatie van het innemen van een ligplaats door het vaartuig. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aan handhaving in de weg stonden. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat het college de aanzegging van bestuursdwang terecht heeft gehandhaafd. De voorzieningenrechter is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Molenaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004

369.