Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8884

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
200306375/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 21 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2003, en appellante sub 2 per fax van 25 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2003, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 19 oktober 2003. Appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 6 november 2003.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200306375/1.

Datum uitspraak: 6 mei 2004.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Beverwijk,

2. de vereniging "Belangenvereniging Broekpolder", gevestigd te Velsen-Noord,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk het uitwerkingsplan "Spoortunnel" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 5 augustus 2003, kenmerk 2003-24754, beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 21 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2003, en appellante sub 2 per fax van 25 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2003, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 19 oktober 2003. Appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 6 november 2003.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder en het college van burgemeester en wethouders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2004, waar appellant sub 1, in persoon en bijgestaan door A. van der Velden,

appellante sub 2, vertegenwoordigd door drs. A.J.G. Pieterse,

en verweerder, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door A.C. Rensen en ing. W. de Wit, ambtenaren van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft aangevoerd dat [appellant sub 1] niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan worden beschouwd en het beroep dientengevolge niet-ontvankelijk is. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) gelezen in samenhang met artikel 8:1 van de Awb kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Gelet op de afstand en de ligging van de woning van [appellant sub 1] ten opzichte van het plangebied is de Afdeling van oordeel dat deze appellant aangemerkt dient te worden als belanghebbende bij het aan de orde zijnde besluit. Het beroep van [appellant sub 1] is dientengevolge ontvankelijk.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO, voorzover hier van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Het plangebied sluit aan de westzijde aan op de bestaande woonwijken van Beverwijk en aan de oostzijde op de in aanbouw zijnde wijk Broekpolder. Het plan is een uitwerking van het bestemmingsplan “Broekpolder Beverwijk” (hierna: het bestemmingsplan) en beoogt een deel van de ontsluitingsweg voor laatstbedoelde wijk onder de spoorlijn Haarlem-Alkmaar door mogelijk te maken. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.4. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Verwezenlijking van het plan zal volgens appellanten van bepalende invloed zijn op de nog te maken keuzes voor het wegverloop in de wijk Broekpolder. Als gevolg van het plan zal een integrale afweging, waartoe volgens appellanten ook de mogelijkheid direct na de spoortunnel in zuidelijke richting rechtsaf te slaan dient te worden gerekend, in de toekomst ten onrechte niet meer mogelijk zijn.

2.5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan voldoet aan de in het bestemmingsplan vermelde uitwerkingsregels. Het plan voldoet volgens hem voorts aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening.

2.6. Aan de in het plan begrepen gronden is in het bestemmingsplan de uit te werken bestemming “Verkeersdoeleinden I (nader uit te werken)” toegekend. Deze gronden zijn ingevolge artikel 6.1 van de voorschriften van het bestemmingsplan bestemd voor wegen, fiets- en voetpaden, de daarbijhorende kunstwerken, groenvoorzieningen en water, benzinestations uitgezonderd.

2.7. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO rust op het college van burgemeester en wethouders de plicht een bestemming overeenkomstig de uitwerkingsregels uit te werken indien bij het bestemmingsplan aan gronden een nog uit te werken bestemming is gegeven. Mede gelet op het belang van het totstandkomen van de ontsluitingsweg voor de wijk Broekpolder is de Afdeling van oordeel dat het college van burgemeester en wethouders in redelijkheid thans aan de uitwerkingsplicht heeft kunnen voldoen. Niet in geschil is dat het uitwerkingsplan in overeenstemming is met de in artikel 6.2 van de voorschriften van het bestemmingsplan opgenomen uitwerkingsregels. Voorzover de beroepen van appellanten aldus verstaan moeten worden dat deze zich richten tegen de begrenzing van de gronden waarop de uitwerkingsplicht ziet en appellanten van mening zijn dat de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt in een groter ruimtelijk kader hadden moeten worden opgenomen, overweegt de Afdeling dat de aanvaardbaarheid van de bestemming “Verkeersdoeleinden I (nader uit te werken)” en de grens van het plandeel met deze bestemming reeds in het bestemmingsplan zijn beoordeeld en in het kader van het uitwerkingsplan niet opnieuw ter discussie kunnen staan. Met het bestaan van de door verweerder goedgekeurde uitwerkingsplicht in het bestemmingsplan dient de aanvaardbaarheid hiervan in beginsel als een gegeven te worden beschouwd.

2.8. Met betrekking tot de vrees van appellanten dat het uitwerkingsplan de aanleg van de zogenoemde “Oostelijke doorverbinding” over de Conny Stuartlaan onvermijdelijk maakt, overweegt de Afdeling dat het uitwerkingsplan het door appellanten voorgestelde alternatieve tracé, tevens inhoudende een afslag in de tunnel, niet uitsluit. Gelet op het onderzoek “Alternatief tracé oostelijke doorverbinding binnen Broekpolder”, volgens welk onderzoek het alternatieve tracé op grote verkeerstechnische en financiële bezwaren stuit, heeft de gemeenteraad inmiddels, teneinde de doorverbinding over de Conny Stuartlaan mogelijk te maken, besloten tot een herziening van het bestemmingsplan. Of daadwerkelijk in een doorverbinding via de Conny Stuartlaan zal worden voorzien, zal echter pas blijken bij de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan. Op dat moment zal de gemeenteraad op basis van de dan bestaande feiten en de dan geldende inzichten na afweging van alle betrokken belangen tot een definitieve beslissing hierover moeten komen. Bezwaren in verband met de aanleg van die doorverbinding dienen in het kader van die procedure aan de orde te komen.

2.9. Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitwerkingsplan, waarvan de invulling past binnen de regels van het bestemmingsplan, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan. De beroepen zijn ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004.

176-459.