Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8879

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
200307640/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het veranderen van een varkenshouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Horst, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 13 oktober 2003 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2004/32 met annotatie van Van der Meijden
M en R 2004, 76K

Uitspraak

200307640/1.

Datum uitspraak: 6 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het veranderen van een varkenshouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Horst, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 13 oktober 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 17 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 januari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2004, waar van appellanten [naam een der appellanten] in persoon, bijgestaan door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Eindhoven, en verweerder, vertegenwoordigd door W.J.G.M. Gossens en G.F.M. Brugmans, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten hebben gesteld dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, aangezien in de inrichting meer dan 50 m3 aan bijproducten worden opgeslagen die kunnen worden aangemerkt als afvalstoffen.

2.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente, waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen, als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid.

Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, of Onze Minister bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

Ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna te noemen: het Besluit) zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.

Categorie 8.1 van bijlage I behorende bij het Besluit betreft – voor zover hier van belang – inrichtingen voor: a. het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

Ingevolge categorie 28.4, zoals opgenomen in bijlage I behorende bij het Besluit, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor onder meer: onder a, sub 6°: het opslaan van andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 50 m3 of meer, en onder c, sub 1°, voorzover hier van belang: het mengen, verdichten of thermisch behandelen - anders dan verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen.

2.3. Uit de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende aanvraag en de daarbij behorende tekeningen blijkt dat in de inrichting een brijvoerinstallatie en twaalf betonnen voerbunkers van gelijke grootte met een totale capaciteit van 1000 m3 voor de opslag van bijproducten aanwezig zijn. In deze voerbunkers worden, blijkens de aanvraag, onder meer aardappelstoomschillen en kaaswei opgeslagen. Deze bijproducten zijn, blijkens de aanvraag en het verhandelde ter zitting, van buiten de inrichting afkomstig. Door de Afdeling is eerder, in haar uitspraken van 14 mei 2003 in zaak no. 200203938/1 (www.raadvanstate.nl en AB 2003, 212) en van 13 augustus 2003 in zaak no. 200301431/1 (www.raadvanstate.nl), overwogen dat bijproducten, waaronder kaaswei en aardappelstoomschillen, die zijn aan te merken als residuen van productieprocessen in de voedingsmiddelenindustrie en waarvan de leveranciers zich ontdoen of moeten ontdoen in de zin van artikel 1, onder a, van de Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG, afvalstoffen zijn. Er is geen reden om daarover thans anders te oordelen.

Verweerder heeft betoogd dat de onderhavige bijproducten afkomstig zijn van een diervoederleverancier, die deze bijproducten heeft bewerkt tot diervoeders die voldoen aan de “G.M.P.”-waarden (kwaliteitsgarantie voor diervoeder). Niet gebleken is echter dat de bijproducten bij de bedoelde leverancier een zodanige bewerking hebben ondergaan dat deze niet meer dienen te worden aangemerkt als afvalstof. Ook overigens is uit het verhandelde ter zitting niet gebleken van omstandigheden die tot het oordeel zouden moeten leiden dat de hiervoor genoemde bijproducten niet meer zouden moeten worden beschouwd als afvalstoffen.

2.4. Geconcludeerd moet derhalve worden dat de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die over de capaciteit beschikt om meer dan 50 m³ van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, welke niet vermeld zijn in categorie 28.4, onder a, sub 1 tot en met 5, van het Besluit, op te slaan en vervolgens te mengen en thermisch te behandelen. De categorieën 28.7 of 28.8 van bijlage I behorende bij het Besluit, waarin een uitzondering is gemaakt op onder andere categorie 28.4, onder a, sub 6, zijn niet van toepassing.

Dat brengt mee dat de inrichting onder meer onder categorie 28.4 van bijlage I van het Besluit valt. Nu in categorie 28.4 het college van gedeputeerde staten is aangewezen als bevoegd gezag, is het besluit van 8 oktober 2003 in strijd met artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 3.1 en bijlage I van het Besluit onbevoegd genomen.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas van 8 oktober 2003;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 696,87, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Horst aan de Maas te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de gemeente Horst aan de Maas aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004

312-431.