Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8864

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
200307206/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2003 heeft de gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp, het bestemmingsplan "Delfgauw-Zuideindseweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200307206/1.

Datum uitspraak: 6 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] wonend te Delfgauw,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2003 heeft de gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp, het bestemmingsplan "Delfgauw-Zuideindseweg" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 oktober 2003, kenmerk DRM/ARB/03/4464A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 30 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2003, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 18 december 2003 meegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 6 februari 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.J.H.M. Verhoeven, advocaat te Den Haag, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.C. Wassens, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door R. van den Bosch, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het bestemmingsplan heeft een overwegend conserverend karakter en beoogt te voorzien in een nieuwe planologische regeling voor een strook grond van ongeveer 900 meter lang en in breedte variërend van 135 tot 300 meter aan de oostzijde van de Zuideindseweg nabij de woonkern Delfgauw en de Vinex-locatie Delfgauw.

2.3. Ter zitting hebben appellanten hun bezwaren gericht tegen de omvang van het bouwvlak van de woning en de bestemming “Agrarische doeleinden, onbebouwd met landschappelijke en/of natuurwaarden (Aln)”, voorzover het betreft een strook grond ten zuiden van hun gronden aan de Zuideindseweg, ingetrokken.

2.4. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden, onbebouwd met landschappelijke en/of natuurwaarden”, voorzover het betreft de gronden van hun rozenkwekerij aan de [locatie] te Delfgauw, voorzover gelegen binnen de grenzen van het voorliggende plan. Zij betogen dat deze bestemming het gebruik van deze gronden voor parkeerdoeleinden niet mogelijk maakt en voorts aan uitbreiding van hun bedrijfsgebouwen in de weg staat. Appellanten voeren in dit verband aan dat zij in 2005 nieuwe kassen willen bouwen, waardoor zij meer parkeerplaatsen en meer aanvullende bedrijfsruimte voor onder meer verpakkingsmachines en opslagdoeleinden nodig zullen hebben.

2.4.1. Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de gronden voor parkeerdoeleinden mogelijk is, nu binnen de gelegde bestemming kleinschalige bouwwerken ten behoeve van de agrarische bestemming zijn toegestaan. Voorts acht verweerder verdere uitbreiding van het glastuinbouwareaal in strijd met het in het streekplan opgenomen kernpunt om een groene verbindingszone aan te leggen tussen het Bieslandse Bos en de Zuidpolder.

2.4.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden, onbebouwd met landschappelijke en/of natuurwaarden” bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven en voor het behoud en het herstel van actuele en potentiële landschappelijke en/of natuurwaarden met de daarbij behorende andere bouwwerken en andere werken zoals watergangen ten behoeve van de waterhuishouding met de daarbij behorende bouwwerken.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel mogen op deze gronden uitsluitend andere bouwwerken ten behoeve van de agrarische bestemming worden gebouwd met een hoogte van niet meer van 3,50 meter.

Ingevolge artikel 1 wordt onder een “ander bouwwerk” verstaan een bouwwerk geen gebouw zijnde.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, onder a, voorzover hier van belang, is onder meer voor de aanleg van parkeergelegenheden op de gronden als bedoeld in artikel 4 een aanlegvergunning vereist.

2.4.3. Op de kaart van het streekplan Zuid-Holland West zijn de gronden die het bedrijf van appellanten omvat aangeduid als “Glastuinbouwconcentratiegebied” en als “Groene verbinding”. Voorts is in dit streekplan de verwezenlijking van een groene verbinding tussen het Bieslandse Bos en de Zuidpolder door het glastuinbouwgebied ten westen van Pijnacker als kernpunt opgenomen. Daarnaast is in het streekplan als kernpunt neergelegd dat de op de streekplankaart opgenomen groene verbindingen ten minste 50 meter breed dienen te zijn.

2.4.4. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting spitst het geschil zich toe op het noordoostelijke deel van de bedrijfsgronden van appellanten, voorzover gelegen binnen de grenzen van het voorliggende plan, met een omvang van ongeveer 90 x 90 meter.

Wat betreft het bezwaar inzake de parkeermogelijkheden, komt de Afdeling het standpunt van verweerder dat de gelegde bestemming het gebruik van de in geding zijnde gronden voor parkeerdoeleinden mogelijk maakt, niet juist voor. Daargelaten of de door appellanten voorgestane parkeervoorzieningen als kleinschalige bouwwerken zijn aan te merken, neemt de Afdeling daarbij in aanmerking dat blijkens de planvoorschriften voor de aanleg van parkeergelegenheden een aanlegvergunning is vereist. Niet is gebleken dat een dergelijke vergunning zonder meer aan appellanten zal worden verleend.

Ten aanzien van de door appellanten gewenste uitbreiding van de bedrijfsbebouwing is de Afdeling voorts van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt in hoeverre verweerder de bedrijfsbelangen heeft meegewogen. De Afdeling acht dit niet juist.

Zij neemt daarbij in aanmerking dat blijkens de stukken – met name het deskundigenbericht – niet onaannemelijk is dat appellanten meer aanvullende bedrijfsruimte nodig zullen hebben als gevolg van de uitbreiding van hun kassenbestand met 3,5 hectare in 2005 en dat verwezenlijking daarvan op de in geding zijnde gronden niet onlogisch is vanwege de aansluiting bij de bestaande bedrijfsbebouwing. Van de zijde van appellanten is er in dit verband ter zitting op gewezen dat de gronden waar de nieuwe kassen zijn voorzien niet geschikt zijn om de aanvullende bedrijfsruimte op te richten, omdat dit een wijziging van de huidige bedrijfsinrichting vereist, hetgeen gepaard gaat met zeer hoge kosten.

Voorts acht de Afdeling van belang dat aan de noord- en oostzijde van het in geding zijnde perceel reeds bebouwing aanwezig is en dat na verwezenlijking van de door appellanten gewenste uitbreiding nog voldoende ruimte resteert voor de aanleg van de in het streekplan opgenomen groene verbindingszone met een minimale breedte van 50 meter.

Tot slot is niet gebleken dat het in geding zijnde perceel belangrijke natuurwaarden vertegenwoordigt.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.5. Voorts stellen appellanten in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden, onbebouwd met landschappelijke en/of natuurwaarden”, voorzien van de aanduiding “bouwperceel glastuinbouw”. Appellanten stellen zich op het standpunt dat aldus de bedrijfswoning niet duidelijk is bestemd.

2.5.1. Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of met het recht te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd.

2.5.2. Op de plankaart is een gedeelte van de gronden van appellanten met de bestemming “Agrarische doeleinden, onbebouwd met landschappelijke en/of natuurwaarden”, voorzien van de aanduiding “bouwperceel glastuinbouw”. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is dit de plek waar de bedrijfswoning is voorzien.

De Afdeling stelt vast dat de bouw van (bedrijfs-)woningen op gronden met genoemde bestemming ingevolge artikel 4 van de planvoorschriften niet is toegestaan. Voorts komt aan de aanduiding “bouwperceel glastuinbouw” geen betekenis toe, nu daaromtrent in de planvoorschriften niets is bepaald.

Ter zitting is van de zijde van de gemeenteraad erkend dat de planvoorschriften wat betreft de door appellanten gewenste bedrijfswoning onvoldoende duidelijkheid bieden.

Gelet hierop, is het plan op dit punt in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden, onbebouwd met landschappelijke en/of natuurwaarden”, voorzien van de aanduiding “bouwperceel glastuinbouw”.

2.6. Verweerder dient op na te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 14 oktober 2003, kenmerk DRM/ARB/03/4464A, voorzover verweerder daarbij goedkeuring heeft verleend aan:

a. het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden, onbebouwd met landschappelijke en/of natuurwaarden”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 1;

b. het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden, onbebouwd met landschappelijke en/of natuurwaarden”, voorzien van de aanduiding “bouwperceel glastuinbouw”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 2;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II.b. genoemde plandeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit onder II.b. is vernietigd;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Prins

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004

363.