Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8863

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
200307060/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2003, heeft het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk het wijzigingsplan "1e Wijziging bestemmingsplan Kern Noordhoek – St. Jozefstraat 13a/15, Noordhoek" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/28
Milieurecht Totaal 2004/5005

Uitspraak

200307060/1.

Datum uitspraak: 6 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2003, heeft het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk het wijzigingsplan "1e Wijziging bestemmingsplan Kern Noordhoek – St. Jozefstraat 13a/15, Noordhoek" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 26 augustus 2003, no. 929226, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 december 2003.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van [belanghebbende]. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2004, waar appellanten in persoon en bijgestaan door mr. M.M. de Vaal, gemachtigde,

en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G. Toenbreker, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Tevens is het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk, vertegenwoordigd door A.A. van Dongen, ambtenaar van de gemeente, en [belanghebbende] in persoon en bijgestaan door A.M. Kupers, gemachtigde, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Met het wijzigingsplan wordt beoogd de bouw van een woning mogelijk te maken op het perceel St. Jozefstraat 13a/15.

Het wijzigingsplan is gebaseerd op de in artikel 9, vierde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Kern Noordhoek” opgenomen wijzigingsbevoegdheid.

2.3. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij voeren als formeel bezwaar aan dat niet het gehele rapport inzake het bodemonderzoek ter inzage heeft gelegen.

2.3.1. In artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is, voorzover hier van belang, bepaald dat bij het bestemmingsplan wordt geregeld op welke wijze belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijzen omtrent de wijziging naar voren te brengen.

In artikel 16, tweede lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Kern Noordhoek” is bepaald dat het ontwerp-besluit van een planwijziging met bijhorende stukken, zoals de toelichting, voorschriften en/of plankaart, situatieschetsen en adviezen van deskundigen, gedurende vier weken voor een ieder ter inzage ligt.

Daargelaten of het rapport inzake het bodemonderzoek een bijbehorend stuk is als bedoeld in dit artikelonderdeel, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat dit rapport niet ter inzage heeft gelegen.

2.4. Inhoudelijk stellen appellanten dat niet aan de wijzigingsvoorwaarden is voldaan, nu niet vast staat dat het bedrijf ter plaatse is, dan wel zal worden beëindigd en ten onrechte geen welstandstoets heeft plaatsgevonden, zodat onduidelijk is of de nieuwe bebouwing past in de omgeving. Voorts achten appellanten niet aangetoond dat behoefte bestaat aan de voorziene woning en menen zij dat niet duidelijk is of het wijzigingsplan voldoet aan het voorschrift dat de reguliere woonuitbreiding ’t Reekje niet mag worden doorkruist. Verder ligt de voorziene woning volgens appellanten binnen de hindercirkel van een champignonkwekerij, zodat een aanvaardbaar woonmilieu niet is gegarandeerd.

Voorts ontbreekt volgens appellanten ten onrechte een akoestisch rapport, waaruit blijkt dat woningbouw ter plaatse, ondanks de geluidhinder vanwege het verkeer, aanvaardbaar is.

Tevens achten zij onvoldoende zeker dat de te verwachten bodemverontreiniging vanuit milieuhygiënisch en financieel oogpunt geen belemmering vormt voor het gebruik van de gronden voor woningbouw.

Appellanten zijn verder van mening dat het verkennende bodemonderzoek onjuistheden bevat, onvolledig en niet objectief is en dat het, ook door verweerder nodig geachte, nadere bodemonderzoek had moeten plaatsvinden voordat het plan werd vastgesteld.

2.4.1. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) heeft de bestemming “Bedrijven” voor de onderwerpelijke gronden gewijzigd in de bestemming “Wonen” om, overeenkomstig het gemeentelijke beleid, te bewerkstelligen dat bedrijven uit de kern verdwijnen.

Het college is van mening dat aan de wijzigingsvoorwaarden van het wijzigingsplan is voldaan.

Een akoestisch onderzoek acht het college niet noodzakelijk, aangezien het gebied als 30 kilometer-zone zal worden ingericht.

Het college heeft erop gewezen dat een nader bodemonderzoek zal worden verricht, wanneer de kantoorunit op het perceel is gesloopt.

Het college heeft ook in de overige bezwaren van appellanten geen aanleiding gezien het plan gewijzigd vast te stellen, dan wel het plan niet verder in procedure te brengen.

2.4.2. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd.

Hij heeft daarbij van belang geacht dat het college heeft toegezegd, dat, nadat de kantoorunit is verwijderd, de bodem ter plaatse zal worden onderzocht. Voor het overige sluit verweerder zich aan bij het standpunt van het college.

2.4.3. In artikel 9, vierde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Kern Noordhoek” is, voorzover hier van belang, bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn de bestemming “Bedrijven” met inachtneming van onder meer de volgende voorwaarden te wijzigen in de bestemming “Wonen”.

In onderdeel 2 van dit artikellid is, voorzover hier van belang, bepaald dat de bedrijfsvoering ter plaatse moet worden beëindigd.

In onderdeel 4 van het genoemde artikellid is bepaald dat de nieuwe bebouwing (qua omvang, ligging in de rooilijn en qua ruimtelijke karakteristiek) moet passen in de omgeving.

In onderdeel 5 van het genoemde artikellid is bepaald dat het oprichten van de nieuwe woning moet passen in het woningbouwprogramma dat het gemeentebestuur van Moerdijk vaststelt. In beginsel wordt volgens het voorschrift in Noordhoek aan de eigen woningbouwbehoefte voldaan in de woonuitbreiding ’t Reekje (aan de noord-westzijde van het plangebied). Deze reguliere woonuitbreiding mag niet worden doorkruist door woningbouw op basis van de wijzigingsbevoegdheid.

In onderdeel 7 van het genoemde artikellid is, voorzover hier van belang, bepaald dat de kwaliteit van het woonmilieu ter plaatse van de nieuwe woning (bijvoorbeeld in verband met de eventuele nabijheid van andere bedrijven) moet zijn gegarandeerd.

2.4.3.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk geworden dat de bedrijfsvoering ter plaatse zal worden beëindigd. De bedrijfsgebouwen zijn reeds voor een gedeelte gesloopt en zullen ook voor het overige worden gesloopt. Daarbij wijst de Afdeling erop dat in artikel 9, vierde lid, onder 3, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voorzover hier van belang, is bepaald dat slechts kan worden meegewerkt aan het realiseren van een bouwplan nadat het aantal m2 aan bedrijfsgebouwen is teruggebracht tot maximaal 100 m2. Voor het oordeel dat niet aan het in voornoemd onderdeel 2 vervatte wijzigingsvoorschrift is voldaan, bestaat derhalve geen grond.

De Afdeling overweegt verder dat onderdeel 4 van artikel 9, vierde lid, de strekking heeft dat een wijzigingsplan waarborgt dat de mogelijk gemaakte bebouwing wat betreft zijn ruimtelijke eigenschappen past in de omgeving. Dit voorschrift vordert niet – hetgeen overigens ook niet in een ruimtelijk plan zou thuishoren – dat die bebouwing moet voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Gelet hierop behoefde voor het wijzigingsplan geen welstandstoets plaats te vinden. Overigens ziet de Afdeling geen grond om te oordelen dat het wijzigingsplan bebouwing toelaat die in ruimtelijk opzicht niet past bij de omgeving en, mitsdien, dat voornoemd onderdeel 4 niet in acht is genomen.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling evenmin grond om te oordelen dat de behoefte aan de voorziene woning niet is aangetoond, dan wel dat met de voorziene woningbouw, in strijd met onderdeel 5 van artikel 9, vierde lid, de reguliere woninguitbreiding ’t Reekje wordt doorkruist.

Wat betreft de nabij de onderhavige locatie gevestigde champignonkwekerij overweegt de Afdeling het volgende. Niet in geschil is, en de Afdeling ziet geen reden daarover anders te oordelen, dat met het oog op een goed woon- en leefklimaat op deze locatie enerzijds en de bedrijfsvoering van de champignonkwekerij anderzijds, tussen dit bedrijf en de voorziene woning de in de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” aangegeven afstand van 30 meter voldoende is. Het gemeentebestuur en verweerder zijn ervan uitgegaan dat de afstand tussen de voorziene woning en de bebouwing van de champignonkwekerij meer dan 30 meter bedraagt en dat is de Afdeling niet onjuist gebleken. Weliswaar bedraagt de grens tussen het perceel van de champignonkwekerij en de voorziene woning minder dan 30 meter, doch op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen dat reeds aanwezige woningen in de weg staan aan de mogelijkheid om binnen deze afstand bebouwing op te richten die vanuit het oogpunt van hinder van belang is. Daarbij merkt de Afdeling op dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de huidige milieuvergunning reeds een uitbreiding van de champignonkwekerij in de richting van de voorziene woning mogelijk maakt. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond om te oordelen dat vanwege de nabijheid van de champignonkwekerij de kwaliteit van het woonmilieu ter plaatse van de nieuwe woning niet is gegarandeerd en dat het wijzigingsplan in zoverre in strijd is met onderdeel 7 van artikel 9, vierde lid.

2.4.3.2. Naar aanleiding van het bezwaar dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is uitgevoerd, overweegt de Afdeling dat het plan woningbouw mogelijk maakt in de nabijheid van wegen, in het bijzonder de St. Jozefstraat, die op enkele meters afstand van de betrokken gronden ligt. Gebleken is dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan “Noordhoek” geen onderzoek is gedaan naar de geluidsbelasting vanwege deze wegen op, met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid mogelijk te maken, woningbouw ter plaatse. Vast staat dat bij de voorbereiding van het wijzigingsplan evenmin een akoestisch onderzoek in deze zin is verricht. Het standpunt van het college en verweerder dat een dergelijk onderzoek niet nodig is, omdat de kern Noordhoek als 30-kilometer-zone zal worden ingericht, deelt de Afdeling niet. Hiertoe neemt de Afdeling in aanmerking dat, naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, een besluit tot daadwerkelijke instelling van die zone nog niet is genomen. Onder deze omstandigheden is niet duidelijk of de geluidhinder vanwege de wegen ter plaatse van de voorziene woning tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijft. Een en ander leidt de Afdeling tot het oordeel dat met het oog op een zorgvuldige voorbereiding niet tot goedkeuring van het plan had mogen worden besloten zonder dat een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting op deze woning voorhanden was. De Afdeling wijst er hierbij op dat een wijzigingsplan als dit moet voldoen aan de in voornoemd onderdeel 7 vervatte eis dat de kwaliteit van het woonmilieu ter plaatse van de nieuwe woning moet zijn gegarandeerd. Nu zonder bedoeld onderzoek tot goedkeuring van het plan is besloten, verdraagt het bestreden besluit zich niet met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.3.3. Uit de stukken blijkt dat op de onderwerpelijke gronden een aannemersbedrijf was gevestigd. Ten behoeve van dit bedrijf stond op het perceel een kantoorunit. Ter plaatse van deze kantoorunit is de grond opgehoogd met puin, bouwmaterialen en asbest.

Blijkens de stukken is een verkennend onderzoek verricht naar de bodemkwaliteit van het plangebied. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van Verhoeve Milieu West B.V. van 6 maart 2003. Blijkens de stukken is de kantoorunit op 1 april 2003 gesloopt. Gebleken is dat de grond ter plaatse van de kantoorunit niet in het genoemde onderzoek is betrokken, omdat de unit ten tijde van het verrichten van het onderzoek nog niet was gesloopt.

Gezien de mogelijke aard van de onder de kantoorunit aanwezige materialen kan sprake zijn van zodanige bodemverontreiniging dat de uitvoerbaarheid van het plan, hetzij direct, hetzij indirect wegens saneringskosten, op voorhand onzeker is.

Gelet hierop had niet tot goedkeuring van het plan mogen worden besloten dan nadat uit onderzoek was gebleken dat ter plaatse geen sprake is van bodemverontreiniging die aan de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Nu een dergelijk onderzoek niet voorhanden is, is het bestreden besluit genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Daarbij merkt de Afdeling op dat de toezegging van het gemeentebestuur aan verweerder dat een nader bodemonderzoek zal worden uitgevoerd, geen aanleiding geeft anders te oordelen, aangezien de uitvoerbaarheid van het plan afhankelijk is van de uitkomst van het bodemonderzoek en hieromtrent uiterlijk bij de goedkeuring van het plan duidelijkheid dient te bestaan.

Het bestreden besluit is derhalve ook in dit opzicht in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.4. Gelet op het vorenstaande is het beroep van appellanten gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige bezwaren van appellanten geen verdere bespreking.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 26 augustus 2003, no. 929226, waarbij goedkeuring is verleend aan het door het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk op 8 juli 2003 vastgestelde wijzigingsplan “1e Wijziging bestemmingsplan Kern Noordhoek – St. Jozefstraat 13a/15, Noordhoek”;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 679,57, waarvan een gedeelte groot

€ 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. A. Kosto en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. De Rooy

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004

59-425.