Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8859

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
200306941/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wormerland (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een woning tegenover het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Wormerland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200306941/1.

Datum uitspraak: 6 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

De Hervormde Gemeente Wormer Knollendam, gevestigd te Wormer, gemeente Wormerland

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 mei 2003 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wormerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wormerland (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een woning tegenover het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Wormerland.

Bij besluit van 15 november 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 mei 2003, verzonden op 26 mei 2003, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 20 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 december 2003 heeft het college van antwoord gediend. Bij brieven van 20 januari 2004 en 27 januari 2004 heeft [wederpartij] een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door K.T. Mol, A. Stam en J. Hoekstra en bijgestaan door mr. H.A.M. Lamers, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door M.H.M. van Rijbroek en mr. M.C. Steeman, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Daar is ook gehoord [wederpartij], bijgestaan door mr. F.J.A. van Ooijen, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:11, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend hoger beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2. De aangevallen uitspraak is verzonden op 26 mei 2003. Bij brief van 20 oktober 2003 is hoger beroep ingesteld. Vast staat dat het hoger beroepschrift niet binnen de beroepstermijn is ingediend.

Appellante betoogt echter dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Zij voert daartoe aan dat zij eerst in het weekend van 13 oktober 2003 door mondelinge mededeling van [partij], eigenaar van het naastgelegen perceel, in kennis is gesteld van de uitspraak.

Dit betoog faalt. Volgens appellante heeft zij zich in eerdere stadia van de procedure niet gemeld omdat de besluiten van het college in haar voordeel waren en was het voor haar niet mogelijk om op andere wijze kennis te nemen van de uitspraak van de rechtbank. Hieruit blijkt echter dat zij wel van de besluiten van het college op de hoogte was. Uit de stukken blijkt ook dat een vertegenwoordiger van appellante aanwezig is geweest bij de zitting van de Commissie Bezwaar en Beroep van 17 september 2002, waar het bezwaarschrift van [wederpartij] is behandeld en dat een afschrift van de bestreden beslissing op bezwaar bij brief van 15 november 2002 aan appellante is gezonden. Gelet daarop was appellante zich er kennelijk van bewust dat ook haar belangen in geding waren en had het op haar weg gelegen zich van het verdere verloop van de procedure op de hoogte te stellen. Dat appellante, zoals zij ter zitting naar voren heeft gebracht, door de rechtbank niet krachtens artikel 8:26, eerste lid, van de Awb ambtshalve in de gelegenheid is gesteld om als partij aan het geding deel te nemen, maakt dit niet anders. De Afdeling neemt hierbij nog in aanmerking dat appellante ook zelf een dergelijk verzoek aan de rechtbank had kunnen richten.

2.3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart w.g. Klein Nulent

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004

218-398.