Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8851

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
200303099/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2002, kenmerk DWM/2001/12429, heeft verweerder naar aanleiding van een melding van [bedrijf] vastgesteld dat ter plaatse van het voormalige Fokkerterrein aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […], sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet bodembescherming. Verweerder heeft voorts krachtens artikel 37 van deze wet vastgesteld dat de sanering van deze locatie als niet urgent wordt beschouwd. Daarnaast heeft hij bij dit besluit krachtens artikel 39, tweede lid, van deze wet ingestemd met het door [bedrijf] ingediende raamsaneringsplan onder de voorwaarde dat een uitvoeringsplan met aanvullend onderzoek naar nog onbekende verontreinigingen ter goedkeuring aan verweerder wordt aangeboden en pas met de saneringswerkzaamheden mag worden aangevangen nadat de goedkeuring is verkregen.

Bij besluit van 12 februari 2003 heeft verweerder de door [bedrijf] ingediende uitvoeringsplannen (bouwfase 1, 2 en 3) goedgekeurd.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/97
M en R 2004, 73

Uitspraak

200303099/1.

Datum uitspraak: 6 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2002, kenmerk DWM/2001/12429, heeft verweerder naar aanleiding van een melding van [bedrijf] vastgesteld dat ter plaatse van het voormalige Fokkerterrein aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […], sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet bodembescherming. Verweerder heeft voorts krachtens artikel 37 van deze wet vastgesteld dat de sanering van deze locatie als niet urgent wordt beschouwd. Daarnaast heeft hij bij dit besluit krachtens artikel 39, tweede lid, van deze wet ingestemd met het door [bedrijf] ingediende raamsaneringsplan onder de voorwaarde dat een uitvoeringsplan met aanvullend onderzoek naar nog onbekende verontreinigingen ter goedkeuring aan verweerder wordt aangeboden en pas met de saneringswerkzaamheden mag worden aangevangen nadat de goedkeuring is verkregen.

Bij besluit van 12 februari 2003 heeft verweerder de door [bedrijf] ingediende uitvoeringsplannen (bouwfase 1, 2 en 3) goedgekeurd.

Bij besluit van 2 april 2003, verzonden op 4 april 2003, heeft verweerder de tegen het besluit van 31 januari 2002 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 13 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2003, en appellant sub 2 bij brief van 15 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 12 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2003.

Bij brief van 2 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2004, waar appellanten sub 1 en sub 2, vertegenwoordigd door mr. E. Schaap Enterman, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.M. Mekkes en M.J.M. Daudt, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar namens [bedrijf] gehoord ir. J.D. de Rijk en ir. F.G. Homburg, gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten sub 1 en 2 stellen dat verweerder ten onrechte heeft ingestemd met het raamsaneringsplan en de uitvoeringsplannen (verder: het saneringsplan). Zij verwachten schade aan de omliggende woningen van de saneringslocatie ten gevolge van de voorgenomen bodemsanering. Zij wensen in dit verband waarborgen om zettingen te voorkomen. Appellant sub 1 betoogt in dit kader dat in het saneringsplan ten onrechte niet is omschreven op welke wijze de damwand in de bodem wordt geplaatst. Verder vrezen appellanten sub 1 en 2 dat de bij de sanering vrijkomende stoffen de gezondheid van omwonenden in gevaar zal brengen.

2.1.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het saneringsplan voldoende is omschreven welke voorzieningen ten behoeve van de saneringswerkzaamheden worden getroffen om schade aan omliggende woningen te voorkomen. Hij wijst er op dat de ontgravingen van de verontreinigingen plaatsvinden binnen een damwand, zodat minder fluctuaties in de grondwaterstand optreden met als gevolg dat de kans op zettingen gering is. Bij het slaan van de damwand wordt daarnaast rekening gehouden met de ligging van de woningen in de onmiddellijke nabijheid van de te saneren locatie. Verweerder wijst er verder op dat in het saneringsplan voor de aannemer die de sanering gaat uitvoeren de verplichting is opgenomen een CAR-verzekering af te sluiten om de kosten van schade aan omliggende woningen ten gevolge van de saneringswerkzaamheden te dekken. In het kader van de verzekering worden voorafgaand aan de saneringswerkzaamheden metingen bij de omliggende woningen uitgevoerd om de bouwkundige staat van deze woningen vast te stellen.

Verweerder stelt zich wat betreft de gezondheidsrisico’s op het standpunt dat in het saneringsplan voldoende maatregelen zijn omschreven ter beperking van de gezondheidsrisico’s voor omwonenden, zoals het continu uitvoeren van metingen naar luchtverontreiniging, de verplichting de saneringswerkzaamheden te staken indien normen worden overschreden en het direct luchtdicht afvoeren van met vluchtige stoffen verontreinigde grond. Hij wijst er daarnaast op dat in een door de GGD verricht onderzoek wordt geconcludeerd dat bij normale weersomstandigheden geen blootstelling aan te hoge concentraties gechloreerde koolwaterstoffen wordt verwacht.

2.1.2. In artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming is – voorzover hier van belang – bepaald dat indien een geval van ernstige bodemverontreiniging wordt vermoed, de melding als bedoeld in artikel 28 tevens vergezeld gaat van de resultaten van het nader onderzoek alsmede de resultaten van het saneringsonderzoek en van een saneringsplan, dat in ieder geval een aantal nader in het eerste lid omschreven gegevens dient te bevatten.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, onder f, tweede volzin, kunnen provinciale staten nadere regels stellen omtrent de gegevens die in het saneringsplan worden opgenomen. In de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland zijn dergelijke nadere regels gesteld.

Ingevolge artikel 6.3, onder C en onder 4, van de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland worden in het saneringsplan een beschrijving van de te treffen (geo)hydrologische en andere technische voorzieningen met de gekozen dimensionering en de invloed hiervan op de omgeving vermeld.

2.1.3. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het saneringsplan beschreven (geo)hydrologische en andere technische voorzieningen en de invloed van deze voorzieningen op de omgeving, voldoende zijn om tot een goede beoordeling van het plan te kunnen komen. Voorzover appellant sub 1 betoogt dat in het saneringsplan ten onrechte niet is vastgelegd op welke wijze de damwand wordt gebouwd, overweegt de Afdeling dat dit aspect niet ziet op de bescherming van de bodem en in onderhavige procedure derhalve geen rol kan spelen. De beroepsgronden treffen geen doel.

De Afdeling merkt overigens op dat indien appellanten menen dat ten gevolge van de sanering schade is ontstaan, zij hiertoe zo nodig een vordering bij de burgerlijke rechter kunnen instellen.

2.2. De beroepen zijn ongegrond.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Van Driel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004

414.