Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8846

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
200302744/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2003, kenmerk WB/2003/547, heeft verweerder krachtens de Grondwaterwet aan appellante een vergunning geweigerd voor het onttrekken van maximaal 120.000 m3 grondwater, op locatie Sophia te Zwolle. Dit besluit is op 21 maart 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200302744/1.

Datum uitspraak: 6 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Isala Klinieken", gevestigd te Zwolle,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2003, kenmerk WB/2003/547, heeft verweerder krachtens de Grondwaterwet aan appellante een vergunning geweigerd voor het onttrekken van maximaal 120.000 m3 grondwater, op locatie Sophia te Zwolle. Dit besluit is op 21 maart 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 5 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. C.M.A. Delissen-Buijsters en mr. D. Bercx, beiden advocaat te Arnhem, en ir. G. van Ee, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F. Breure en ir. A.W.J.M. Nass, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn door appellante nog stukken in het geding gebracht. Er zijn nog stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling stelt voorop dat de bezwaren van appellante gericht tegen het besluit van verweerder van 19 juli 2000, kenmerk WB 2000 1919, waarbij hij de termijn om te beslissen op de aanvraag om de onderhavige vergunning met zes maanden heeft verlengd, en de beslissing van 29 mei 2001, kenmerk BA/2001/1875, op het tegen het besluit van 19 juli 2000 gerichte bezwaar, in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Dit betoog treft geen doel.

2.2. Appellante voert aan dat de gevraagde onttrekking uit het diepwatervoerend pakket in het waterpakket Groot-Salland ten behoeve van de eigen watervoorziening had moeten vergunnen, nu het grondwater uit dit pakket, volgens het door verweerder gevoerd beleid, kan worden aangewend voor drinkwater en hoogwaardig industrieel gebruik. In dat kader betoogt zij dat een grondwateronttrekking uit het ondiepe watervoerend pakket van het pakket Groot-Salland geen alternatief is voor de aangevraagde grondwateronttrekking, omdat in de omgeving in het ondiepe pakket diverse bodemverontreinigingen voorkomen en, volgens appellante, bovendien grondwaterstromen aanwezig zijn waardoor verder weg gelegen bodemverontreinigingen een bedreiging vormen voor het grondwater in het ondiepe pakket ter plaatse van de kliniek. Tevens zijn bij onttrekking uit deze laag de kosten voor de aangevraagde hoeveelheid grondwater, naar appellante stelt, vele malen hoger dan bij afname van het waterleidingnet van de Waterleiding Maatschappij Overijssel N.V. (thans Vitens N.V.) ten gevolge van de extra zuivering, de zogenoemde ultrafiltratie, die moet plaatsvinden om aan de kwaliteitsnorm voor drinkwater te voldoen. Verder is appellante activiteiten aan het voorbereiden om in deze laag ”koude opslag” te realiseren. Deze activiteit sluit het winnen van drinkwater uit het ondiepe watervoerend pakket uit. Voorts acht appellante een afname van het waterleidingnet geen optie, omdat bij calamiteiten de benodigde kwaliteit van het grondwater niet kan worden gegarandeerd en daarbij de kosten voor drinkwater aanzienlijk worden gereduceerd door het exploiteren van een eigen drinkwaterwinning. Voorts acht appellante het door verweerder naar voren gebracht alternatief niet aantrekkelijk, nu het water door middel van twee gescheiden wegen wordt onttrokken.

Ter zitting heeft appellante onder verwijzing naar een besluit van 30 mei 2000 van verweerder een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.

2.2.1. Verweerder acht de noodzaak voor de voorgenomen permanente onttrekking uit het diepe watervoerend pakket van het pakket van Groot-Salland niet aanwezig en stelt zich derhalve op het standpunt dat overeenkomstig het Waterhuishoudingsplan 1991 geen vergunning kon worden verleend. Daartoe heeft verweerder naar voren gebracht dat de onttrekking van water, exclusief het drinkwater voor consumptief gebruik, uit het ondiepe watervoerend pakket van het pakket Groot-Salland een alternatief vormt voor hetgeen is aangevraagd. Daartoe heeft verweerder naar voren gebracht dat het grondwater op een zodanige diepte uit dit ondiepe watervoerend pakket kan worden onttrokken dat de door appellante gevreesde verontreiniging uit valt te sluiten. Indien toch vanuit preventief oogpunt tot zuivering van dit grondwater wordt besloten, dan is UV desinfectie, volgens verweerder, een betere zuiveringsmethode dan de door appellante genoemde ultrafiltratie. De kosten van de UV desinfectie bedragen ongeveer 10% van de door appellante beraamde kosten voor ultrafiltratie. Hierdoor zijn de kosten van een onttrekking uit het ondiepe watervoerend pakket nagenoeg gelijk aan de kosten van een onttrekking uit het diepe watervoerend pakket. Hierbij merkt verweerder op dat de uiteindelijke kostenbesparing van een onttrekking ten behoeve van hoogwaardige doeleinden uit het ondiepe pakket wel minder zal zijn bij een onttrekking ten behoeve van de drinkwatervoorziening uit het diepe watervoerende pakket. De hoeveelheid te onttrekken grondwater en daarmee de potentiële besparing zal namelijk lager uitvallen, omdat bij dit alternatief het drinkwater voor consumptief gebruik nog steeds wordt afgenomen van Vitens N.V. Dit laatste acht verweerder niet onaanvaardbaar, nu het geleverde water van Vitens N.V. voldoet aan de kwaliteitscriteria en er tot op heden slechts één incident bekend is uit 1999 waarbij tijdens werkzaamheden aan het distributienet enige tijd bruin water is geleverd. Door onvoldoende communicatie met de omgeving was appellante over deze werkzaamheden onvoldoende geïnformeerd, aldus verweerder.

2.2.2. Artikel 14, eerste lid, van de Grondwaterwet bepaalt dat het verboden is grondwater te onttrekken of water te infiltreren, tenzij daarvoor door gedeputeerde staten een vergunning is verleend.

Artikel 14, derde lid, van de Grondwaterwet bepaalt dat bij het verlenen, wijzigen of intrekken van de vergunning rekening wordt gehouden met het in artikel 7 van de Wet op de waterhuishouding bedoelde plan.

2.2.3. De Afdeling overweegt dat in de Derde Nota Waterhuishouding, waarin het rijksbeleid ten aanzien van onder meer grondwaterbeheer is neergelegd, wordt uitgegaan van de standstill-doelstelling voor verdroging. Deze doelstelling houdt in dat de omvang en de intensiteit van de verdroging in Nederland niet mag toenemen ten opzichte van de situatie in 1989. Verweerder heeft op hoofdlijnen in het Waterhuishoudingsplan Overijssel uit december 1991 het beleid ten aanzien van het vorenstaande weergegeven en daaraan nader invulling gegeven in het Grondwaterbeheersplan 1994-1998. In dat kader zijn nieuwe locaties voor grondwaterwinning aangewezen zoals onder meer het diepe watervoerend pakket in het pakket grondwater in het watersysteem Groot-Salland onder de klei van de formatie: Drenthe/ Tegelen. Deze winning is blijkens het desbetreffende waterhuishoudingsplan zo gesitueerd dat andere belangen zo min mogelijk worden geschaad en de verdroging in het algemeen niet toeneemt. Het grondwater uit dit watervoerend pakket is enkel gereserveerd voor hoogwaardige toepassingen, zoals de openbare drinkwatervoorziening en andere hoogwaardige doeleinden. Hieronder wordt verstaan doeleinden waarbij eisen worden gesteld ingevolge de Warenwet. Daarnaast kan er blijkens het grondwaterbeheersplan sprake zijn van een hoogwaardige toepassing, wanneer het product of het productieproces aan het water kwaliteitseisen stelt en door de afwezigheid, kosten en milieueffecten van alternatieven.

Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige geval het productieproces aan het water kwaliteitseisen stelt en er derhalve in zoverre sprake is van een hoogwaardige toepassing van grondwater. Onaannemelijk acht de Afdeling de stelling van appellante dat voor de aangevraagde onttrekking geen alternatief voorhanden is, waarbij wordt verwezen naar hetgeen verweerder op dit punt naar voren heeft gebracht. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die doen twijfelen aan de juistheid van het standpunt van verweerder. Gelet daarop oordeelt de Afdeling de bestreden weigering in overeenstemming met het provinciaal beleid inzake het grondwaterbeheer. Voorts is de Afdeling in het onderhavige geval niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van het door hem gevoerde beleid had moeten afwijken.

Voorzover appellante ter zitting heeft betoogd dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door bij besluit van 30 mei 2000 een vergunning te verlenen aan derden om 87.500 m3 per jaar te onttrekken uit het diepwatervoerend pakket in het pakket van Groot-Salland, overweegt de Afdeling dat het in dat geval een aanvraag om het ontrekken van grondwater betrof ten aanzien van het productieproces van eiprodukten voor de levensmiddelenindustrie. Voor dit productieproces zijn, anders dan in het onderhavige geval, ingevolge de Warenwet eisen gesteld ten aanzien van de kwaliteit van het water. De Afdeling overweegt dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen, zodat het beroep van appellante op het gelijkheidbeginsel geen doel treft.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004

191-375.