Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8845

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
04-05-2004
Zaaknummer
200402387/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2004 heeft verweerder de bezwaarschriften van verzoekers van 21 juli 2000, 12 maart 2001 en 23 maart 2002, tegen de besluiten van 15 februari 2001 (beslissing bezwaarschrift en beslissing op handhavingsverzoek) en 20 februari 2002 deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402387/2.

Datum uitspraak: 28 april 2004.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Dirksland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2004 heeft verweerder de bezwaarschriften van verzoekers van 21 juli 2000, 12 maart 2001 en 23 maart 2002, tegen de besluiten van 15 februari 2001 (beslissing bezwaarschrift en beslissing op handhavingsverzoek) en 20 februari 2002 deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 18 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2004, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 april 2004, waar verzoekers, waarvan [gemachtigde] in persoon en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door C.H. Overweel en ir. E.A. Vermaas, gemachtigden, zijn verschenen.

Vergunninghouder is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het onderhavige geding heeft betrekking op de inrichting aan de Molendijk 144a te Melissant. Verzoekers hebben ten aanzien van deze inrichting een handhavingsverzoek bij verweerder ingediend. De Voorzitter stelt vast dat de bezwaren van verzoekers zich richten op de aspecten geluid en het illegaal gebruik van de vangkooi. Zij stellen dat de aan de voor de inrichting geldende vergunning verbonden geluidgrenswaarden worden overtreden en dat in strijd met deze vergunning dieren in de vangkooi worden gehouden. Verzoekers zijn van mening dat verweerder voor voornoemde overtredingen een last onder dwangsom dient op te leggen. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de bezwaren van verzoekers wat betreft het aspect geluid ongegrond verklaard en wat betreft het illegaal gebruik van de vangkooi gegrond verklaard. Verzoekers kunnen zich hiermee niet verenigen.

2.3. Verzoekers hebben aangevoerd dat, voorzover hun bezwaar met betrekking tot het illegaal gebruik van de vangkooi gegrond is verklaard, verweerder in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gehandeld door te volstaan met het gegrondverklaren van hun bezwaar en een voornemen tot het doen opleggen van een last onder dwangsom. Verzoekers zijn daarom van mening dat in zoverre geen sprake is van een volledige heroverweging.

2.3.1. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag van het bestreden besluit een heroverweging daarvan plaats.

Ingevolge artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht herroept het bestuursorgaan, voorzover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit en neemt voorzover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

2.3.2. De Voorzitter overweegt hierover dat in geval de heroverweging van het primaire besluit leidt tot gegrondverklaring van het bezwaar, hiermee niet volstaan kan worden, doch het primaire besluit dient te worden herroepen waarna zonodig een nieuw besluit daarvoor in de plaats dient te worden gesteld. Een zogenoemde vooraanschrijving tot het opleggen van een last onder dwangsom, waarmee verweerder in het onderhavige geval na het deels gegrondverklaren van het bezwaar van verzoekers heeft volstaan, kan echter niet als zodanig worden aangemerkt. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Hetgeen verweerder heeft betoogd kan hier niet aan afdoen.

2.4. Wat betreft de ongegrondverklaring ten aanzien van het aspect geluid hebben verzoekers het volgende betoogd. Verzoekers stellen dat blijkens het bestreden besluit meerdere malen – bij in 2001 en 2003 uitgevoerde metingen – is geconstateerd dat sprake is van overtreding van de aan de voor de onderhavige inrichting geldende vergunning verbonden geluidgrenswaarden. Gelet hierop is het volgens hen onbegrijpelijk dat verweerder niet overgaat tot het opleggen van een last onder dwangsom. Het betoog van verweerder dat op basis van de op zondag 29 juni 2003 – wanneer strengere geluidnormen gelden – geconstateerde overtreding niet tot handhaving kan worden overgegaan omdat het niet-reguliere bedrijfsactiviteiten zou betreffen gaat volgens verzoekers niet op. Zij stellen dat herhaaldelijk dergelijke activiteiten plaatsvinden, van een eenmalig karakter is derhalve geen sprake. Bovendien betreft het volgens hen niet-vergunde activiteiten.

2.4.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de afgelopen drie jaar slechts tweemaal een overschrijding van de geldende geluidnormen is geconstateerd. Van deze twee overschrijdingen is die van 29 juni 2003 naar de mening van verweerder bovendien niet representatief, omdat sprake zou zijn geweest van niet-reguliere bedrijfsactiviteiten. Tevens heeft verweerder blijkens het bestreden besluit meegewogen dat de uitgevoerde metingen een momentopname betreffen. Gelet hierop en het feit dat de afgelopen periode geen klachten inzake geluidoverlast zijn ingediend heeft verweerder, zo blijkt uit het bestreden besluit, gemeend dat handhaving thans niet opportuun is. Ter zitting heeft verweerder nog gesteld dat geluidveroorzakende apparatuur is verplaatst naar een andere locatie.

2.4.2. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hebben thans in totaal vijf geluidmetingen plaatsgevonden. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hierbij overtredingen van de aan de voor de inrichting geldende vergunning verbonden geluidgrenswaarden zijn geconstateerd maar dat hiertegen niet is opgetreden. Daarbij heeft verweerder gesteld dat de meting op zondag 29 juni 2003 niet representatief zou zijn, omdat sprake was van niet-reguliere bedrijfsactiviteiten. Vaststaat dat tijdens voornoemde meting – met de aanname dat buiten de gemeten periode van tweeëneenhalf uur verder in het geheel geen activiteiten zouden hebben plaatsgevonden – een overschrijding van het equivalente geluidniveau van 3 dB(A) en van het piekgeluidniveau van 11 dB(A) is geconstateerd. Verweerder was derhalve in zoverre bevoegd tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen. De Voorzitter is er, mede gelet op hetgeen verzoekers hieromtrent hebben aangevoerd, niet van overtuigd geraakt dat hier sprake is geweest van een niet-representatieve situatie. Verweerder heeft ook niet bestreden dat het niet-vergunde activiteiten zouden betreffen. Tevens hebben verzoekers betoogd dat, in tegenstelling tot hetgeen verweerder heeft gesteld, er de afgelopen maanden wel degelijk klachten met betrekking tot geluidoverlast zijn ingediend. Verweerder heeft dit ter zitting niet betwist. Daarnaast is tijdens het verhandelde ter zitting gebleken dat geluidveroorzakende apparatuur slechts gedeeltelijk is verplaatst naar een andere locatie.

In het licht van het vorenstaande is de Voorzitter van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan verweerder onderzoek dient te doen naar de relevante feiten en het bestreden besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

2.5. Gezien het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dirksland van 4 maart 2004 voorzover het de aspecten geluid en illegaal gebruik van de vangkooi betreft;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dirksland in de door verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 750,85, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Dirksland te worden betaald aan verzoekers;

III. gelast dat de gemeente Dirksland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Leeuwen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2004.

373.