Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8840

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2004
Datum publicatie
04-05-2004
Zaaknummer
200401928/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2004, kenmerk B30056.LVA.DOC, heeft verweerder krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan verzoekster een vergunning onder voorschriften verleend voor het via de gemeentelijke riolering lozen van huishoudelijk afvalwater, verontreinigd regenwater en schoon regenwater, afkomstig van haar motorblokkensloperij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], in oppervlaktewater. Dit besluit is op 23 februari 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401928/2.

Datum uitspraak: 29 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Groot Salland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2004, kenmerk B30056.LVA.DOC, heeft verweerder krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan verzoekster een vergunning onder voorschriften verleend voor het via de gemeentelijke riolering lozen van huishoudelijk afvalwater, verontreinigd regenwater en schoon regenwater, afkomstig van haar motorblokkensloperij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], in oppervlaktewater. Dit besluit is op 23 februari 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 3 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 31 maart 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. J.M.T. Coffeng, advocaat te Apeldoorn, [directeur], en J.P.J.M. Raeijmaekers, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Eikenaar, B. Vasse en J. Klooster, ambtenaren van het waterschap, zijn verschenen.

Voorts is het college van gedeputeerde staten van Overijssel, vertegenwoordigd door mr. D. van Grieken en ing. J.C. Broshuis, ambtenaren van de provincie, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) worden aan een vergunning voorschriften verbonden tot bescherming van de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de Wvo zijn met betrekking tot een vergunning, als de onderhavige, onder meer de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de lozing kan veroorzaken voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en de doelmatige werking van het betrokken zuiveringstechnische werk door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Verzoekster heeft bezwaren aangevoerd met betrekking tot de in voorschrift 3, tweede lid, voorgeschreven pomp. Zij betwijfelt de goede werking van de voorgestelde oplossing en stelt dat het capaciteitstekort van de riolering met deze maatregel niet wordt opgelost.

2.3.1. Verweerder acht de in voorschrift 3, tweede lid, voorgeschreven maatregel noodzakelijk om het te lozen hemelwater te kunnen bemonsteren. Hij acht een pomp achter de olie-afscheiders en controleputten voorts nodig om de goede werking van die voorzieningen niet te verstoren, aangezien de grote hoeveelheid hemelwater die naar de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd opstuwing in de gemeentelijke riolering en de olie-afscheiders en controleputten veroorzaakt.

2.3.2. Ingevolge voorschrift 3, tweede lid, dient – voor zover thans van belang – het effluent van de olie-afscheider door middel van een pomp te worden afgevoerd naar de gemeentelijke riolering.

2.3.3. Vaststaat dat terreingedeelte C is voorzien een vloeistofdichte vloer. Al het hemelwater dat op dit terreingedeelte terechtkomt zal via de olie-afscheiders en controleputten naar de gemeentelijke riolering worden afgevoerd. Niet onaannemelijk is dat dit leidt tot opstuwing in de gemeentelijke riolering en de olie-afscheiders en controleputten, zodat de goede werking van die voorzieningen wordt verstoord en het tevens niet meer mogelijk is het (mogelijk verontreinigde) hemelwater te bemonsteren.

Gezien het vorenstaande en het verhandelde ter zitting heeft verweerder zich naar het oordeel van de Voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorschrijven van een pomp ten behoeve van de afvoer van hemelwater op de gemeentelijke riolering nodig is.

2.4. Verzoekster heeft bezwaren aangevoerd met betrekking tot de in voorschrift 3, derde lid, voorgeschreven slibvangvoorziening, die moet worden aangelegd indien niet aan de in het zestiende lid van dit voorschrift opgenomen gehalte-eisen wordt voldaan. Een dergelijke voorziening is naar haar mening niet nodig nu op dit terreingedeelte slechts voertuigen worden gemanoeuvreerd en door het terreingedeelte regelmatig te vegen voorkomen wordt dat eventuele zanddeeltjes met het hemelwater in de gemeentelijke riolering terechtkomen. Verzoekster is het er voorts niet mee eens dat door verweerder reeds is bepaald welke voorziening dient te worden gerealiseerd indien niet aan de voormelde gehalte-eisen wordt voldaan.

2.4.1. Verweerder betoogt dat op terreingedeelte D vooralsnog geen slibvangvoorziening behoeft te worden geplaatst, aangezien aan de in voorschrift 3, zestiende lid, opgenomen gehalte-eisen kan worden voldaan.

2.4.2. Ingevolge voorschrift 3, derde lid, mag – voorzover thans van belang – het terreingedeelte D uitsluitend worden gebruikt voor het manoeuvreren van voertuigen en dient regelmatig te worden geïnspecteerd en zonodig door middel van vegen te worden ontdaan van bezinkbare delen. Zolang wordt voldaan aan de doelvoorschriften van lid 16 van dit artikel, behoeft het regenwater afkomstig van dit terreingedeelte niet te worden behandeld in een slibvangvoorziening. Indien hieraan niet kan worden voldaan dient voor de behandeling van dit regenwater, als bedoeld in artikel 2, lid 4, alsnog een slibvangput te worden geplaatst. De slibvangput dient dan van voldoende capaciteit te zijn en te worden gedimensioneerd volgens bijlage A van de norm NEN 7089.

2.4.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat aan de in voorschrift 3, zestiende lid, opgenomen gehalte-eisen wordt voldaan, zodat het vooralsnog niet noodzakelijk is een slibvangvoorziening als bedoeld in voorschrift 3, derde lid, te plaatsen.

Derhalve is niet gebleken van een spoedeisend belang op grond waarvan moet worden geoordeeld dat verzoekster in zoverre in redelijkheid niet de uitspraak van de Afdeling op haar beroep kan afwachten.

2.5. Verzoekster acht de in voorschrift 3, vijfde lid, voorgeschreven lekbak onder de kraakinstallatie niet noodzakelijk, omdat de kraakinstallatie reeds boven een vloeistofdichte vloer staat opgesteld. Zij acht het plaatsen van een lekbak voorts onwerkbaar, omdat de eventueel opgevangen olie aan de motorblokken kleeft die onderaan de kraakinstallatie worden verzameld en met behulp van een kraan nogmaals in de kraakinstallatie worden gebracht dan wel in de wasinstallatie worden ingevoerd.

2.5.1. Verweerder stelt dat in de vorige lozingsvergunning van 27 april 1995 reeds de verplichting was opgenomen om een lekbak onder de kraakinstallatie te plaatsen. Deze verplichting was op voorstel van verzoekster in die vergunning opgenomen en is thans ongewijzigd overgenomen, aldus verweerder. Het voorschrijven van een lekbak onder de kraakinstallatie is volgens hem noodzakelijk om een te zware belasting van de olie-afscheider te voorkomen, nu een overkapping om het hemelwater te weren in de huidige situatie niet realiseerbaar is.

2.5.2. Ingevolge voorschrift 3, vijfde lid, dient –voor zover thans van belang – onder de kraakinstallatie voor motorblokken een lekbak voor olie aanwezig te zijn, waarmee wordt voorkomen dat tijdens het kraken van de motorblokken vrijkomende olie op het terrein terechtkomt.

2.5.3. Blijkens bijlagen 3 en 4 bij de aanvraag bevindt de kraakinstallatie zich op terreingedeelte B van de inrichting. Dit terreingedeelte is voorzien van een vloeistofdichte vloer. Indien een lekbak onder de kraakinstallatie ontbreekt zullen de oliën die bij het kraken van motorblokken kunnen vrijkomen, met het hemelwater over de vloeistofdichte vloer via de olie-afscheider naar de gemeentelijke riolering afvloeien. De Voorzitter acht niet onaannemelijk dat dit kan leiden tot een zware belasting van de olie-afscheider. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd ziet de Voorzitter dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in voorschrift 3, vijfde lid, voorgeschreven lekbak onder de kraakinstallatie ten behoeve van de opvang van olie uit de gekraakte motorblokken noodzakelijk is.

2.6. Verzoekster is van mening dat het niet noodzakelijk is dat metalen of metaallegeringen waarin de zware metalen, koper, lood en zink voorkomen, zodanig overkapt dan wel afgedekt worden opgeslagen dat geen verontreinigd water kan ontstaan, nu volgens haar aan de doelvoorschriften met betrekking tot het lozen van de zware metalen koper, lood en zink kan worden voldaan.

2.6.1. Verweerder heeft vanwege de aangevraagde uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten met de inzameling, opslag en verwerking van onder andere non-ferro metalen het noodzakelijk geacht in voorschrift 3, zevende lid, te bepalen dat metalen of metaallegeringen waarin de zware metalen, koper, lood en zink voorkomen, zodanig overkapt dan wel afgedekt worden opgeslagen dat geen verontreinigd water kan ontstaan. Hij gaat ervan uit dat vanwege de uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten zonder deze preventieve maatregelen niet aan de gehalte-eisen voor de zware metalen lood, koper en zink in de daarvoor gestelde doelvoorschriften kan worden voldaan.

2.6.2. Ingevolge voorschrift 3, zevende lid, dienen metalen of metaallegeringen waarin de zware metalen, koper, lood en zink voorkomen, zodanig overkapt dan wel afgedekt te worden opgeslagen dat geen verontreinigd water kan ontstaan, zodat voorkomen wordt dat de daarvoor gestelde doelvoorschriften worden overschreden.

2.6.3. De Voorzitter is er vooralsnog niet van overtuigd dat verzoekster zonder het treffen van de in voorschrift 3, zevende lid, genoemde maatregelen aan de in voorschrift 3, veertiende tot en met zestiende lid, voorgeschreven gehalte-eisen voor de som van de zware metalen koper, lood en zink kan voldoen. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd ziet de Voorzitter dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in voorschrift 3, zevende lid, voorgeschreven maatregelen noodzakelijk zijn.

2.7. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe dient te worden afgewezen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2004

191-353.