Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8837

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2004
Datum publicatie
04-05-2004
Zaaknummer
200305940/1 en 200305940/7
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2003, kenmerk 15356, heeft verweerder krachtens artikel 5 van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen gesteld aan de inrichting van [vergunninghoudster], gelegen op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305940/1 en 200305940/7.

Datum uitspraak: 27 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van

de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2003, kenmerk 15356, heeft verweerder krachtens artikel 5 van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen gesteld aan de inrichting van [vergunninghoudster], gelegen op het perceel [locatie] te [plaats].

Hiertegen heeft appellant bij brief van 26 juni bezwaar gemaakt.

Tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar hebben appellanten bij brief van 4 september 2003 beroep ingesteld.

Bij besluit van 2 december 2003, kenmerk AWB/2003/0532 Z/2003/56898, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Het beroep tegen het besluit van 2 december 2003 is gemotiveerd bij brief van 10 februari 2004.

Bij brief van 5 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen 9 maart 2004, hebben appellanten de Voorzitter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 17 maart 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2004. Daar is [gemachtigde] bijgestaan door mr. F.A.J. Groenendijk, gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. J. Pot en ing. J.M.J. Beijering, ambtenaren van de gemeente. Namens [vergunninghoudster] is het woord gevoerd door J. Stolp, gemachtigde.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Nu op 2 december 2003 is beslist op het bezwaar van appellanten, ontbreekt naar het oordeel van de Voorzitter een processueel belang bij een beoordeling van het beroep van 4 september 2004, voorzover dat beroep is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Het beroep dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.3. Op 6 juli 1998 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] vergunning verleend krachtens de Wet milieubeheer voor een timmerwerkplaats met een spuitinrichting.

2.4. De vergunning van 6 juli 1998 is op 1 december 2000 vervallen door de inwerkingtreding van het Besluit. Uit artikel 7 van het Besluit volgt dat de vergunningvoorschriften 8.1.2, 8.1.4, 8.3.1, 8.3.2 en 8.4.1 uit de vergunning van 6 juli 1998 gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van het Besluit van rechtswege golden als nadere eis.

2.5. De bij besluit van 21 mei 2003 gestelde nadere eisen zijn identiek aan de 5 hiervoor genoemde vergunningvoorschriften. Verweerder heeft die nadere eisen gebaseerd op artikel 5 van het Besluit, waarin de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen is geregeld. Aldus komt dat er op neer, dat die vergunningvoorschriften ook na het verstrijken van de termijn van 3 jaar blijven gelden als nadere eis.

2.6. De nadere eisen zijn gesteld ter bescherming van omwonenden, waaronder appellanten. Zij betwisten dan ook niet de inhoud van die nadere eisen, doch zij stellen zich op het standpunt dat daarnaast ook nadere eisen noodzakelijk zijn om de norm voor het Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LarLT) aan te scherpen en om het aantal vrachtbewegingen te beperken, ter beperking van de overlast die zij stellen te ondervinden. Zij wijzen er in dat verband op dat de timmerwerkplaats achter hun woning is gelegen en dat die werkplaats slechts bereikbaar is via een smalle inrit die aan hun woning grenst. Volgens hen is verder het aantal vervoersbewegingen inmiddels aanzienlijk hoger dan in de eerder vergunde situatie was toegestaan en wordt er regelmatig illegaal afval gestort in de container die nabij hun tuin staat. In ieder geval is het volgens hen noodzakelijk dat verweerder een akoestisch onderzoek uitvoert naar de geluidbelasting van de inrichting.

2.7. De Voorzitter stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat geen van de 5 door verweerder gestelde nadere eisen ziet op de hoogte van het LarLT of op het aantal vrachtwagenbewegingen en laad- en losactiviteiten (behoudens voorzover er in die nadere eisen is bepaald dat aan- en afvoer en laden en lossen is verboden tussen 19.00 en 07.00 uur). Het is verder niet aannemelijk geworden dat verweerder van de bevoegdheid om ambtshalve nadere eisen te stellen in dit geval redelijkerwijs geen gebruik heeft kunnen maken, zonder ook nadere eisen te stellen terzake van de door appellanten genoemde aspecten. Daarom is de Voorzitter van oordeel dat de vraag of omtrent die aspecten nadere eisen zouden moeten worden gesteld, buiten het bereik valt van de door verweerder gevolgde procedure. Voor die aspecten kan in deze procedure dan ook evenmin worden afgedwongen dat een akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd.

2.8. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Voorzitter geen reden voor gegrondverklaring van het beroep. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voorzover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van appellanten, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep ongegrond;

III. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2004

157.