Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8509

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
28-04-2004
Zaaknummer
200305350/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2000 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud-Zuid van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouders] bouwvergunning verleend voor onder meer het vernieuwen van de dakopbouw van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305350/1.

Datum uitspraak: 28 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud-Zuid van de gemeente Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2000 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud-Zuid van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouders] bouwvergunning verleend voor onder meer het vernieuwen van de dakopbouw van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 maart 2001 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 26 juni 2001 heeft het dagelijks bestuur het verzoek van appellanten om handhavend optreden tegen de dakopbouw afgewezen.

Bij besluit van 8 maart 2002 heeft het dagelijks bestuur het tegen dat laatste besluit door appellanten gemaakte bezwaar, onder wijziging van de motivering daarvan, ongegrond verklaard. Tevens is daarbij het door appellanten gemaakte bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun verzoek om intrekking van de bouwvergunning niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 2 juli 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 23 maart 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het tegen het besluit van 8 maart 2002 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het dagelijks bestuur een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 12 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 oktober 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 november 2003 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend. Bij brief van 19 november 2003 hebben vergunninghouders gereageerd.

Bij besluit van van 8 september 2003 heeft het dagelijks bestuur opnieuw beslist op het door appellanten gemaakte bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2001. De rechtbank heeft het daartegen door appellanten ingestelde beroep ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling.

Bij brief van 5 januari 2003 (lees: 2004) heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend. Bij brief van 15 januari 2004 hebben vergunninghouders gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2004, waar [appellante] persoon, bijgestaan door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.E. Kenter, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is verschenen [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. B.B. van Vliet, gemachtigde, bijgestaan door [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Stadion – Beethovenbuurt 1996” bestemd voor “Woningen”.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de gronden op de kaart bestemd voor woningen (W), aangewezen voor al dan niet gestapelde woningen.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, mag op de gronden vermeld in de artikelen 3 t/m 18 slechts worden gebouwd ten dienste van de aldaar vermelde bestemmingen en, voor zover niet anders in deze voorschriften of op de kaart is bepaald, met inachtneming van de volgende bepalingen:

b. 3. bebouwing, met uitzondering van interne verbouwingen, is slechts toegestaan indien deze in samenhang wordt ontworpen en gerealiseerd binnen een op de kaart IB aangegeven architectonische en stedenbouwkundige eenheid.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, mag bebouwing welke op de eerste dag van de tervisielegging van het ontwerpplan bestond of nadien kan worden gebouwd krachtens een eerder verleende of nog te verlenen bouwvergunning, die wat betreft bestemming en/of omvang niet overeenstemt met het plan gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits daardoor geen grotere afwijking van het plan ontstaat.

2.2. Vaststaat dat de aan de achterzijde van de woning gesitueerde dakopbouw omstreeks 1988, derhalve vóór de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan, zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning is geplaatst. In hoger beroep is niet in geschil dat deze dakopbouw in strijd is met voormeld artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3. Derhalve is daarop het in artikel 24 van de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht van toepassing.

2.3. Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur de gevraagde bouwvergunning had moeten weigeren omdat het bouwplan voorziet in een, ingevolge voormeld artikel 24, eerste lid, onder a, niet toegestane, algehele vernieuwing van de dakopbouw, treft doel.

Op de tekeningen die van de bouwaanvraag deel uitmaken is de tekst “vervangen constructie + kozijnen” vermeld. Voorts is, naar ter zitting van de zijde van vergunninghouders is bevestigd, op het aanvraagformulier uitdrukkelijk in het midden gelaten of het bouwplan voorziet in een gehele dan wel gedeeltelijke vernieuwing. Daartoe zijn deze op het formulier vermelde alternatieven beide doorgehaald. Dit in aanmerking nemende is het dagelijks bestuur er bij zijn in bezwaar gehandhaafde besluit tot verlening van bouwvergunning ten onrechte van uitgegaan dat de bouwaanvraag slechts betrekking had op een gedeeltelijke vernieuwing van de dakopbouw. De Afdeling merkt daarbij nog op dat van de zijde van vergunninghouders ter zitting is toegelicht dat met de aanvraag is beoogd bouwvergunning te verkrijgen zonodig voor een gehele vernieuwing indien bij uitvoering van het bouwplan zou blijken dat zulks gelet op de bouwkundige staat van de dakopbouw is aangewezen. In het midden kan blijven of de dakopbouw feitelijk geheel dan wel gedeeltelijk is vernieuwd. Het antwoord op die vraag kan aan de strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan niet afdoen. De rechtbank heeft dat miskend.

2.4. Nu de bouwvergunning, zoals appellanten terecht hebben betoogd, betrekking heeft op de gehele dakopbouw, was van een overtreding van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet geen sprake. Daaruit volgt dat dagelijks bestuur niet bevoegd was tegen deze vergunde bouw handhavend op te treden en dat het daartoe door appellanten ingediende verzoek moest worden afgewezen. De rechtbank heeft dat miskend.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het tegen het besluit van 23 maart 2001 ingestelde beroep gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en, in het verlengde daarvan, het tegen het besluit van 8 maart 2002 ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Bij besluit van 8 september 2003 heeft het dagelijks bestuur, opnieuw beslissende op het bezwaar van appellanten, wederom zijn afwijzing om handhavend op te treden tegen de dakopbouw gehandhaafd. Dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van het onderhavige geding. Nu voor dat besluit na vernietiging van de aangevallen uitspraak geen plaats meer is, dient het te worden vernietigd.

2.7. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 2 juli 2003, AWB 01/1657 GEMWT en AWB 02/1492 GEMWT;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud-Zuid van de gemeente Amsterdam van 23 maart 2001, waarbij de voor de dakopbouw verleende bouwvergunning is gehandhaafd gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van het dagelijks bestuur van 8 maart 2002 , waarbij het zijn afwijzing van het verzoek van appellanten om handhavend optreden tegen de dakopbouw heeft gehandhaafd, ongegrond;

VI. vernietigt het besluit van 8 september 2003, waarbij het dagelijks bestuur, opnieuw beslissende op het bezwaar van appellanten, zijn afwijzing van het verzoek van appellanten om handhavend optreden tegen de dakopbouw heeft gehandhaafd;

VII. veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid in de door appellanten in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1610,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid te worden betaald aan appellanten;

VIII. gelast dat het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 386,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2004

66-412.