Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8501

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
28-04-2004
Zaaknummer
200305681/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) appellante geweigerd vergunning te verlenen voor het uitoefenen van het horecabedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2004, 188 met annotatie van J.L.A. Kessen
Module Horeca 2004/948
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305681/1.

Datum uitspraak: 28 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], statutair gevestigd te [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 juli 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) appellante geweigerd vergunning te verlenen voor het uitoefenen van het horecabedrijf.

Bij besluit van 30 oktober 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2003, verzonden op 22 juli 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 22 september 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 oktober 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 21 januari 2004 is nog een stuk van appellante ontvangen. Dit stuk is in afschrift naar de wederpartij gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door E.L.G van der Meer, haar directeur en mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door Y. Ammerdorfer, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet (hierna: DHW), voorzover thans van belang, is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, voorzover thans van belang, is het verboden een horecalokaliteit tevens in gebruik te hebben voor het uitoefenen van de kleinhandel of zelfbedieningsgroothandel of het uitoefenen van een van de in het derde lid genoemde activiteiten.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, van dat artikel is het bedrijfsmatig aanbieden van diensten een zodanige activiteit.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, voorzover thans van belang, wordt een vergunning, als bedoeld in artikel 3, geweigerd, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een of meer van de bij of krachtens de artikelen 2 en 13 tot en met 24 gestelde verboden zal worden overtreden.

2.2. Appellante heeft een horecalokaliteit in gebruik aan de [locatie] te [plaats], waarin tevens toegang tot het internet wordt aangeboden.

2.3. Zij betoogt tevergeefs dat de rechtbank het standpunt van het college dat het aanbieden van toegang tot het internet in de lokaliteit moet worden aangemerkt als het bedrijfsmatig aanbieden van diensten in strijd met het verbod van artikel 14 van de DHW ten onrechte niet onjuist heeft geacht.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 14, derde lid, van de DHW (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 969, nr. 3, blz. 25) moet worden afgeleid dat de wetgever heeft bedoeld dat slechts het aan bezoekers beschikbaar stellen van enkele faciliteiten, als telefoon, fax en biljarttafel niet onder de aldus verboden dienstverlening moet worden begrepen. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat het in beperkte mate aanbieden van toegang tot het internet ook daartoe kan worden gerekend.

Hoewel aan appellante kan worden toegegeven dat het college niet voldoende duidelijk heeft gemaakt, bij welk maximum aantal in een horecalokaliteit aanwezige internetaansluitingen de grens van het beschikbaar stellen van faciliteiten naar het bedrijfsmatig aanbieden van diensten wordt overschreden, heeft de rechtbank het standpunt van het college dat die grens in het onderhavige geval is overschreden terecht niet onjuist geacht. In de lokaliteit zijn blijkens de stukken op de begane grond 24 internetcomputers opgesteld. Daarmee is geen sprake van het aan de bezoekers van het cafébedrijf beschikbaar stellen van een faciliteit, als waarop de wet blijkens de voormelde geschiedenis van de totstandkoming van artikel 14, derde lid, van de DHW ziet. Het standpunt van het college dat aannemelijk is dat het cafébezoek in de lokaliteit aldus niet op zichzelf staat en de aangeboden internetdiensten een zelfstandige stroom van bezoekers trekken, wier keuze voor bezoek van de lokaliteit in elk geval mede wordt bepaald door deze dienstverlening, is niet onjuist. Appellante richt zich blijkens de aanduiding van haar lokaliteit als “internetcafé” ook op dergelijke bezoekers.

2.4. De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college ingevolge artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de DHW gehouden was de gevraagde vergunning te weigeren.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Peute

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2004

45-391.