Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8498

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
28-04-2004
Zaaknummer
200305738/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude (hierna: het college) aan appellant vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning geweigerd voor het geheel vernieuwen en vergroten van een landbouwschuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305738/1.

Datum uitspraak: 28 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 juli 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude (hierna: het college) aan appellant vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning geweigerd voor het geheel vernieuwen en vergroten van een landbouwschuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 31 december 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juli 2003, verzonden op 18 juli 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 september 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 november 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. C.T. de Weerdt, gemachtigde, vergezeld van [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Bartels, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied” bestemd voor “Agrarische Doeleinden (A)” en tevens voor “Waterkering”.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden (A)” bestemd voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven als bedoeld in artikel 1, lid 6.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn op de gronden bedoeld in lid 1 uitsluitend gebouwen toelaatbaar welke nodig zijn voor de bedrijfsvoering.

Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de planvoorschriften, is een nieuw agrarisch bedrijfsgebouw, geen woning zijnde, ten dienste van een agrarisch bedrijf uitsluitend toelaatbaar, indien dat gebouw, gelet op zijn afmetingen en op het binnen het betrokken bedrijf reeds aanwezige gebouwenbestand en gelet tevens op de aard, de inrichting en de omvang van het betrokken bedrijf, voor een doelmatige bedrijfsvoering nodig is.

Ingevolge artikel 11, negende lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, stellen burgemeester en wethouders ter toetsing van een bouwplan aan de bepalingen van lid 1 tot en met 8 dat bouwplan om advies in handen van de agrarische deskundige.

2.2. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een schuur met een oppervlakte van 1000 m². Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of het college aan zijn in bezwaar gehandhaafde standpunt dat een schuur van deze omvang niet noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering, de adviezen van Adviesbureau Clevin (hierna: Clevin) van 13 april 2002 en 3 december 2002 ten grondslag heeft mogen leggen. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat deze adviezen onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen nu daarbij niet is uitgegaan van de meest recente normen met betrekking tot voedselveiligheid, huisvesting van vee en arbeidsomstandigheden en daarin voorts onvoldoende rekening is gehouden met de beoogde toekomstige ontwikkeling van het bedrijf.

2.3. De Afdeling stelt voorop dat als uitgangspunt bij advisering omtrent de noodzaak van agrarische bedrijfsbebouwing heeft te gelden dat wordt aangesloten bij de op dat moment heersende inzichten en de eisen die in de ter zake relevante regelgeving aan de desbetreffende bedrijfsvoering worden gesteld. Blijkens haar adviezen heeft Clevin het bouwplan beoordeeld aan de hand van de “Handleiding agrarische bouwaanvragen” die door het voormalige Landbouwschap voor het laatst in 1995 is uitgegeven. Appellant heeft aangevoerd dat deze handleiding inmiddels op verschillende onderdelen is achterhaald door recentere, algemeen gehanteerde normen, die zijn terug te vinden in een jaarlijks door het Proefstation voor de akkerbouw uitgegeven publicatie. Hij heeft deze normen ook vermeld in het door hem overgelegde ondernemingsplan dat door Clevin is betrokken in het nadere advies van 3 december 2002. Clevin is in zijn advies niet ingegaan op voormeld standpunt van appellant. Het ter zitting van de Afdeling door het college ingenomen standpunt dat de door appellant genoemde normen geen betrekking hebben op de oprichting van agrarische bedrijfsbebouwing vindt in dat advies dan ook geen bevestiging. Het college heeft dit standpunt ook anderszins niet nader onderbouwd. Gelet op de ouderdom van de “Handleiding agrarische bouwaanvragen”, is op voorhand geenzins uitgesloten te achten dat de daarin opgenomen maatstaven als het gevolg van de door appellanten genoemde nieuwe inzichten in meer of mindere mate hun actualiteitswaarde hebben verloren. Het college had daar in zijn besluit van 31 december 2002 nader op in dienen te gaan. Nu dit niet is geschied voldoet dat besluit niet aan artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dat miskend.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 31 december 2002 vernietigen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 juli 2003, AWB 03/608 WOW 44;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude van 31 december 2002,

AZ/EB/RO/1438;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Jacobswoude te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de gemeente Jacobswoude aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht (€ 116,00 + € 175,00= € 291,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2004

66-412.