Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8473

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
28-04-2004
Zaaknummer
200306667/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wognum (hierna: het college) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast binnen zes weken na verzending van dit besluit de zonder bouwvergunning op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) geplaatste container te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306667/1.

Datum uitspraak: 28 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 22 augustus 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Wognum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wognum (hierna: het college) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast binnen zes weken na verzending van dit besluit de zonder bouwvergunning op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) geplaatste container te verwijderen.

Bij besluit van 26 juni 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom gewijzigd in een besluit tot toepassing van bestuursdwang, inhoudende dat appellante onder aanzegging van bestuursdwang wordt gelast de container binnen vijf dagen na dagtekening van dit besluit te verwijderen.

Bij uitspraak van 22 augustus 2003, verzonden op 27 augustus 2003, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit tot ongegrondverklaring van het tegen het besluit van 13 maart 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Het door appellante tegen het besluit tot toepassing van bestuursdwang ingestelde beroep is ter behandeling als bezwaarschrift aan het college doorgezonden.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brieven van 3 en 4 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 januari 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan het college toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2004, waar appellante in persoon en het college, vertegenwoordigd door G.J. van der Meer, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vast staat dat appellante op het perceel zonder de vereiste bouwvergunning een container heeft geplaatst. Het college was derhalve, naar ook niet in geschil is, bevoegd handhavend op te treden.

2.2. Alleen in bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan afzien van handhavend optreden tegen de illegale situatie. Een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen, indien concreet zicht bestaat op legalisering.

2.3. De rechtbank heeft, anders dan appellante betoogt, terecht en op goede gronden overwogen dat de omstandigheid dat appellante de container nodig heeft gedurende de lammertijd, niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid op grond waarvan van het college kon worden verlangd dat het af zou zien van handhavend optreden. De omstandigheid dat op het perceel altijd kleine schuurtjes hebben gestaan kan, anders dan appellante betoogt, evenmin als een bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin worden aangemerkt, nu op het perceelsgedeelte waarop de schuurtjes zich bevonden een andere bestemming rust, terwijl de container bovendien een andere ruimtelijke uitstraling heeft dan genoemde schuurtjes. Dat de buurman van appellante als gevolg van het plaatsen van de container niet in zijn uitzicht wordt belemmerd kan, wat daar overigens ook van zij, ook niet worden aangemerkt als een omstandigheid in vorenbedoelde zin. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank dan ook terecht overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college kon afzien van handhavend optreden.

2.4. Voorts wordt met de rechtbank geoordeeld dat niet valt in te zien dat de termijn, gedurende welke appellante de last kon uitvoeren, zonder dat een dwangsom werd verbeurd, als onredelijk kort moet worden aangemerkt. Dat aan het lammerseizoen na afloop van die termijn nog geen einde was gekomen kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2004

17-423.