Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8466

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
200400084/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Tegen dit besluit van verweerder hebben onder meer verzoekster sub 1 bij brief van 6 januari 2004, verzoeker sub 2 bij brief van 8 januari 2004, verzoekster sub 3 bij brief van 8 januari 2004 en verzoeker sub 4 bij brief van 13 januari 2004 beroep ingesteld. Daarnaast hebben verzoekster sub 1 bij brief van 6 januari 2004, verzoeker sub 2 bij brief van 8 januari 2004, verzoekster sub 3 bij brief van 8 januari 2004 en verzoeker sub 4 bij brief van 13 januari 2004 zich tot de Voorzitter gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400084/2.

Datum uitspraak: 22 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. Belangenvereniging Hoofdweg Nieuwerkerk aan den IJssel, gevestigd te Nieuwerkerk aan den IJssel (hierna: de Belangenvereniging),

2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [verzoekster sub 3], gevestigd te [plaats],

4. [verzoeker sub 4], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2003 heeft de gemeenteraad van Nieuwerkerk aan den IJssel het bestemmingsplan "Hoofdweg/ontsluiting Nesselande" vastgesteld.

Bij besluit van 18 november 2003, kenmerk DRM/ARB/03/6684A, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit van verweerder hebben onder meer verzoekster sub 1 bij brief van 6 januari 2004, verzoeker sub 2 bij brief van 8 januari 2004, verzoekster sub 3 bij brief van 8 januari 2004 en verzoeker sub 4 bij brief van 13 januari 2004 beroep ingesteld. Daarnaast hebben verzoekster sub 1 bij brief van 6 januari 2004, verzoeker sub 2 bij brief van 8 januari 2004, verzoekster sub 3 bij brief van 8 januari 2004 en verzoeker sub 4 bij brief van 13 januari 2004 zich tot de Voorzitter gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 22 maart 2004, waar verzoekster sub 1, vertegenwoordigd door mr. H.A. Bravenboer, advocaat te Rotterdam, verzoeker sub 2, in persoon, bijgestaan door

mr. H.A. Bravenboer, voornoemd, verzoekster sub 3, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. H.A. Bravenboer, voornoemd, verzoeker sub 4, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.M. de Haas-Rood, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar namens de gemeenteraad gehoord, J.L. van den Berg, ambtenaar van de gemeente, bijgestaan door mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de aanleg van een ontsluitingsweg ten behoeve van de in ontwikkeling zijnde Rotterdamse wijk Nesselande en de hiertoe benodigde rijbaanverdubbeling van de Hoofdweg in Nieuwerkerk aan den IJssel.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Verzoekers kunnen zich op de hierna weergegeven gronden met het bestreden besluit niet verenigen en hebben de Voorzitter verzocht dit besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.

2.4. Verzoekers betwisten de noodzaak van de rijbaanverdubbeling van de Hoofdweg. Zij stellen zich in dit verband op het standpunt dat, gelet op de verschillende uitgangspunten die in de diverse onderzoeken zijn gehanteerd, eenduidige cijfers over het te verwachten aantal verkeersbewegingen van en naar de nieuwe wijk Nesselande ontbreken. Voorts wijzen zij erop dat het wegontwerp van de huidige Hoofdweg identiek is aan dat van de nabijgelegen Europalaan, die volgens verzoekers een capaciteit heeft van 24.000 motorvoertuigen per etmaal. Zij betogen dat de bestaande Hoofdweg een vergelijkbare capaciteit heeft, die slechts in geringe mate verschilt van het aantal te verwachten verkeersbewegingen waarvan in het plan wordt uitgegaan.

Verweerder stelt dat het aantal verkeersbewegingen in 2012 op de Hoofdweg 27.500 motorvoertuigen per etmaal zal bedragen en baseert zich daarbij op onderzoek dat in opdracht van de gemeenteraad is uitgevoerd. Hij wijst erop dat de huidige Hoofdweg een capaciteit heeft van 18.000 à 20.000 motorvoertuigen per etmaal en acht verbreding van deze weg dan ook noodzakelijk. Voorts is ter zitting van de zijde van de gemeenteraad bevestigd dat de capaciteit van de Europalaan 24.000 motorvoertuigen per etmaal bedraagt, maar is betwist dat de weginrichting van deze weg vergelijkbaar is met die van de Hoofdweg.

Gelet op de uiteenlopende standpunten van partijen, acht de Voorzitter nader onderzoek door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening noodzakelijk teneinde de naar voren gebrachte bezwaren op dit punt zorgvuldig te kunnen beoordelen. Daarvoor leent de bodemprocedure zich meer dan de thans aan de orde zijnde procedure.

Gelet hierop, ziet de Voorzitter aanleiding het bestreden besluit te schorsen, voorzover dat betrekking heeft op de rijbaanverdubbeling van de Hoofdweg teneinde onomkeerbare gevolgen te voorkomen. Hij neemt daarbij in aanmerking dat ten aanzien van dit gedeelte van het plan niet is gebleken van zodanige spoedeisendheid dat de resultaten van het nadere onderzoek niet kunnen worden afgewacht.

Het voorgaande in aanmerking genomen, behoeven de overige bezwaren die zijn gericht tegen de rijbaanverdubbeling thans geen nadere bespreking.

2.5. Voorzover de bezwaren van verzoekers zich richten tegen de in het plan voorziene aanleg van de ontsluitingsweg overweegt de Voorzitter als volgt.

2.6. Niet is gebleken dat het streekplan Zuid-Holland Oost aan verwezenlijking van de ontsluitingsweg in de weg staat. Voorzover [verzoeker sub 4] in dit verband heeft aangevoerd dat de ontsluitingsweg de aanleg van een groene verbindingszone belemmert, stelt de Voorzitter vast dat de weg is voorzien buiten de gronden die op de streekplankaart zijn aangeduid als “Ontwikkelingszone recreatie, natuur- en landschaps- en/of bosbouw”.

Wat betreft het bezwaar van verzoekers dat het aanvullende convenant tussen de gemeente Rotterdam en de gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel een allesbepalende rol heeft gespeeld, is de Voorzitter er voorshands niet van overtuigd geraakt dat deze overeenkomst aan een objectieve beoordeling van het bestemmingsplan en de daartegen ingediende bedenkingen in de weg heeft gestaan.

Het bezwaar dat het bestemmingsplan “Nesselande” niet in de gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel ter inzage is gelegd, kan in deze procedure niet aan de orde komen, nu dat plan thans niet ter beoordeling staat.

Voorzover verzoekers hebben aangevoerd dat het concrete wegontwerp niet in het plan is opgenomen, overweegt de Voorzitter dat het in beginsel tot de beleidsvrijheid van de gemeenteraad behoort om de mate van gedetailleerdheid van het plan te bepalen. Het systeem van de Wet op de Ruimtelijke Ordening brengt mee dat in een bestemmingsplan globale bestemmingen kunnen worden opgenomen die niet meer behoeven te worden uitgewerkt. De Voorzitter ziet voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat een dergelijke bestemmingsregeling in dit geval uit een oogpunt van rechtszekerheid of anderszins niet aanvaardbaar is.

Voorts is niet gebleken dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieve ontsluitingsmogelijkheden.

Daarnaast zijn blijkens de stukken onderzoeken uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege de nieuwe ontsluitingsweg. Daaruit is naar voren gekomen dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) aan de gevels van twee woningen wordt overschreden. Verzoekers hebben voorshands niet aannemelijk gemaakt dat verweerder ten aanzien van de ontsluitingsweg niet in redelijkheid van de resultaten van deze onderzoeken kon uitgaan. Uit de stukken blijkt dat bij besluit van 28 augustus 2002 hogere grenswaarden voor bovenbedoelde woningen zijn vastgesteld.

Voorts is de Voorzitter er voorshands niet van overtuigd dat niet wordt voldaan aan de eisen van het Besluit luchtkwaliteit. Hij neemt daarbij in aanmerking dat zich blijkens de resultaten van het terzake uitgevoerde onderzoek eerst bij een verkeersintensiteit van 40.000 motorvoertuigen per etmaal een kleine overschrijding van de grenswaarde voor stikstofdioxide zal voordoen. De stukken bieden geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat met de aanleg van de ontsluitingsweg dit aantal zal worden overschreden. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat verweerder de resultaten van dit onderzoek niet in redelijkheid aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

In hetgeen verzoekers overigens hebben aangevoerd, ziet de Voorzitter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

Gelet op het voorgaande, komen de verzoeken ten aanzien van de in het plan voorziene aanleg van de ontsluitingsweg niet voor toewijzing in aanmerking.

2.7. Verweerder dient ten aanzien van verzoekers op na te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 18 november 2003, kenmerk DRM/ARB/03/6684A, voorzover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden", zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaarten 1 t/m 4;

II. wijst de verzoeken voor het overige af;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door verzoekers in verband met de behandeling van de verzoeken gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1960,67;

het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland als volgt te worden betaald:

1. aan de Belangenvereniging een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

2. aan [verzoeker sub 2] een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

3. aan [verzoekster sub 3] een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

4. aan [verzoeker sub 4] een bedrag van € 28,67;

IV. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht (€ 116,00 voor [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 4] en € 232,00 voor de Belangenvereniging en [verzoekster sub 3]) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Prins

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2004

363