Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8460

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
28-04-2004
Zaaknummer
200306719/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) aan de stichting Moskee Abi Bakr Essadik met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van een moskee op een perceel aan de Berlagestraat te Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2004/1351
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306719/1.

Datum uitspraak: 28 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Automobielbedrijf "De Witte Lantaarn" B.V., handelend onder de naam Autobedrijf De Witte Lantaarn, gevestigd te Utrecht,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 16 juli 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) aan de stichting Moskee Abi Bakr Essadik met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van een moskee op een perceel aan de Berlagestraat te Utrecht.

Bij besluit van 17 januari 2003 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juli 2003, verzonden op 29 augustus 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 9 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 januari 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. F.A. Zieck, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. van Oeveren, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijke of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.2. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een moskee. De moskee beslaat een grondoppervlakte van 22 m x 22 m, heeft drie verdiepingen en een minaret en is geprojecteerd op het zuidelijke gedeelte van een groene strook tussen de Vecht en het Amsterdam-Rijnkanaal, de zogeheten Van Heukelomlob.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Zuilen” (hierna: het bestemmingspan) rust op voornoemde strook de bestemming “Groenvoorzieningen, ecologische verbindingszone (Gv)”. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met die bestemming.

2.4. Appellante betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college geen toepassing kon geven aan voormeld artikel 19, eerste lid, omdat niet is voldaan aan de daarin gestelde voorwaarde dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe voert zij aan dat de beleidsuitgangspunten inzake de Van Heukelomlob, zoals deze ten grondslag liggen aan het bestemmingsplan en het Wijkontwikkelingsplan Zuilen (hierna: het wijkontwikkelingsplan), strekken tot instandhouding van de groenstrook.

2.5. Volgens de ruimtelijke onderbouwing is er ruimte voor het thans aan de orde zijnde project, omdat de bebouwing op het noordoostelijke gedeelte van de Van Heukelomlob is vervallen. De voorzieningenrechter heeft echter miskend dat geen sprake is van het vervallen van een bouwmogelijkheid in het noordoostelijke gedeelte.

2.5.1. Op de plankaart van het bestemmingsplan is de bedoelde locatie, die thans feitelijk nog deel uitmaakt van de groenstrook, bestemd tot “Woongebied” met de aanduiding “d2”. Ingevolge artikel 5 (de algemene beschrijving in hoofdlijnen), lid E, onder d2, van de planvoorschriften mogen ter plaatse minimaal 25 en maximaal 35 eengezinswoningen worden gebouwd met een hoogte van 3 à 4 bouwlagen en een langzaamverkeersroute worden aangelegd. In artikel 6, lid B, onder 2 is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald: “Binnen de bestemming Woongebied (W) wordt herontwikkeling gestimuleerd van alle op de bestemmingskaart als zodanig aangeven ontwikkelingslocaties. Voor deze ontwikkelingslocaties geldt een directe bouwtitel”.

2.5.2. Met het verlenen van de vrijstelling voor de bouw van de moskee is deze rechtstreekse bouwmogelijkheid niet vervallen. Indien een aanvraag voor een bouwvergunning wordt ingediend die past binnen de bepalingen van het bestemmingsplan, en zich ook overigens geen weigeringsgrond voordoet, zal die bouwvergunning derhalve moeten worden verleend.

2.5.3. Op zichzelf ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat, als van vorenomschreven woonbebouwing wordt afgezien, er ruimte is voor beperkte bebouwing in een ander deel van de Van Heukelomlob en dat — nu het wijkontwikkelingsplan en het bestemmingsplan bebouwing van een deel van de groenstrook toelaten — het ruilen van een woningbouwlocatie in het noordoosten van deze groenstrook tegen een bouwmogelijkheid voor een moskee in het zuiden van diezelfde lob niet in strijd is met de bedoeling van het wijkontwikkelingsplan. Gelet op het vorenstaande moet met de voorzieningenrechter worden geoordeeld dat niet valt in te zien dat het project in zoverre niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Hierbij is in aanmerking genomen dat in het wijkontwikkelingsplan, voorzover thans van belang, is aangegeven dat het beeld van een groene verbinding tussen de Vecht en het Amsterdam-Rijnkanaal kan worden versterkt door een mooiere oplossing voor de kop van die strook, alsmede de omstandigheid dat de moskee aan de rand van de groenstrook, op een zo klein mogelijke oppervlakte, zonder omliggende verharding is geprojecteerd. Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht de planidentificatie voor de Van Heukelomlob van 17 juli 2001, waarin vorenomschreven visie op de ontwikkeling van genoemde lob is weergegeven, in aanmerking genomen.

Datgene wat het college, gelet op het bovenstaande, heeft willen toestaan, namelijk het ruilen van bebouwingsmogelijkheden in de Van Heukelomlob, kan echter alleen worden bereikt indien door het in procedure brengen van een daartoe strekkend bestemmingsplan de bebouwingsmogelijkheid van ontwikkelingslocatie d2 komt te vervallen.

2.6. Appellante betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de parkeersituatie in de omgeving van de te realiseren moskee zodanig is, dat het college om die reden niet in redelijkheid de vrijstelling kon verlenen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet op grond van het in opdracht van de gemeente Utrecht uitgebrachte advies van 5 maart 2001 omtrent de parkeerdruk in de omgeving van de te realiseren moskee en in aanmerking genomen het verwachte aantal bezoekers van de moskee in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het realiseren van aanvullende parkeerplaatsen niet nodig was. Het door appellante overgelegde tegenadvies van 10 oktober 2002 kan niet tot een ander oordeel leiden. Ook in dit advies worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in het onderzochte gebied, in zijn totaliteit bezien, sprake is van onvoldoende parkeerplaatsen. Dat dit in enkele straten afzonderlijk anders is, doet hieraan niet af.

2.7. Uit het bovenstaande volgt dat, nu het college ten onrechte heeft aangenomen dat de bebouwingsmogelijkheden in het noordoostelijke deel van de Van Heukelomlob zijn vervallen, het besluit op bezwaar in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht berust op een feitelijk onjuiste motivering.

2.8. Het hoger beroep is derhalve gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 17 januari 2003 vernietigen.

2.9. Het college dient op de hierna aangegeven wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 16 juli 2003, SBR 03/545 en SBR 03/1497 VV, voorzover het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 17 januari 2003, 02/13334 JZ BV 2011616;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1504,00, waarvan een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Utrecht te worden betaald aan appellante;

VI. gelast dat de gemeente Utrecht aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (in totaal € 566,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2004

17-423.