Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8458

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
200401703/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2004, verzonden 16 januari 2004, heeft verweerder krachtens artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) aan café “Moira” nadere eisen opgelegd met betrekking tot de horeca-inrichting op het perceel Marktplein 11 te Lith.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 25 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 25 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2004, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401703/2.

Datum uitspraak: 19 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Lith,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2004, verzonden 16 januari 2004, heeft verweerder krachtens artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) aan café “Moira” nadere eisen opgelegd met betrekking tot de horeca-inrichting op het perceel Marktplein 11 te Lith.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 25 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 25 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2004, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 maart 2004, waar verzoekers, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door ir. S. van der Wee en R.W.A. van Ottele, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De bij het bestreden besluit opgelegde nadere eisen hebben betrekking op de door de onderhavige inrichting te veroorzaken geluidbelasting. Als gevolg van het opleggen van de nadere eisen dient op alle binnen de inrichting te gebruiken geluidinstallaties een geluidbegrenzer te zijn geïnstalleerd, zodat het equivalente geluidniveau veroorzaakt door het muziekgeluid in de zaal niet hoger is dan 86 dB(A). Voorts dienen ramen en deuren, behoudens voor het direct doorlaten van mensen, bij het ten gehore brengen van muziek in de zaal gesloten te zijn.

Uit het bestreden besluit volgt dat de nadere eisen zijn opgelegd als gevolg van klachten van onder meer verzoekers over geluidoverlast veroorzaakt door de onderhavige inrichting. Door het Regionaal Milieubedrijf (hierna: RMD) zijn geluidmetingen uitgevoerd, waarbij overschrijding van de geluidgrenswaarden uit het Besluit is vastgesteld. Daarnaast is door het RMD op 19 november 2003 bij de onderhavige inrichting een akoestisch onderzoek uitgevoerd teneinde vast te kunnen stellen bij welk binnengeluidniveau nog voldaan kan worden aan de geluidvoorschriften uit het Besluit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een akoestisch rapport van 14 januari 2004.

2.3. Verzoekers kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen en voeren daartoe aan dat de nadere eisen ten onrechte alleen betrekking hebben op de zaal en niet op de gehele inrichting. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte het geluid afkomstig vanuit de tuin alsmede het geluid veroorzaakt door de koelinstallatie buiten beschouwing gelaten. Verder zijn verzoekers van mening dat bij het verrichten van metingen onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd, terwijl de nadere eisen voorzover zij betrekking hebben op het binnengeluidniveau en het gesloten houden van ramen en deuren nadere precisering behoeven.

De onderhavige inrichting bestaat uit een café met een zaal. Uit de stukken blijkt dat de geluidoverlast hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door feesten en partijen die in de zaal plaatsvinden. Voorts is niet gebleken dat de achter de inrichting gelegen tuin wordt benut voor de exploitatie van de inrichting. Verder heeft de nadere eis voor het toelaatbaar binnengeluidniveau betrekking op alle vormen van door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting. In zoverre ziet de Voorzitter geen aanleiding tot inwilliging van het verzoek.

Wat betreft de koelinstallatie blijkt uit de stukken dat door het in werking zijn van deze installatie de geluidgrenswaarden uit de bijlage bij het Besluit slechts in geringe mate worden overschreden. Voorts gaat de Voorzitter ervan uit dat voor het functioneren van de inrichting de koelinstallatie noodzakelijk is. Met het oog hierop ziet de Voorzitter, bij afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4. Verzoekers voeren verder een aantal bezwaren aan tegen de in het akoestisch rapport van het RMD van 14 januari 2004 gehanteerde norm van 86 dB(A) en de metingen en aannames die daaraan ten grondslag liggen.

Ter zitting heeft verweerder uiteen gezet dat de opgelegde norm van 86 dB(A) is bepaald aan de hand van isolatiewaardemetingen van de gevel van de onderhavige inrichting. Door het hanteren van de met voornoemde metingen vastgestelde binnenwaarde kan de inrichting, behoudens de koelinstallatie, in de dag-, avond- en nachtperiode aan de geluidgrenswaarden uit de bijlage bij het Besluit voldoen. Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt noch is anderszins gebleken dat dit niet het geval is.

Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.

2.5. Verzoekers betogen dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 20.5 van de Wet milieubeheer en verzoeken om die reden om vergoeding van de als gevolg hiervan geleden schade.

In gevallen waarin het onverwijld van kracht worden van een besluit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is, kan ingevolge artikel 20.5 van de Wet milieubeheer - in afwijking van de gebruikelijke regeling met betrekking tot het van kracht worden van besluiten - worden bepaald dat het besluit terstond van kracht wordt. In artikel 20.6, derde lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat artikel 20.5 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is op besluiten die met toepassing van de parafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand zijn gekomen. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder in het onderhavige geval voornoemde paragrafen van de Algemene wet bestuursrecht heeft toegepast, zodat toepassing van artikel 20.5 van de Wet milieubeheer niet mogelijk is.

2.6. Ook in hetgeen verzoekers overigens naar voren hebben gebracht ziet de Voorzitter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.7. Gelet op het vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2004

312-443.