Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8456

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
het college van gedeputeerde staten van Overijssel
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2003, aangevuld bij besluiten van 28 januari 2003 en 4 februari 2003, heeft verzoeker jachthouders, alsmede jachtaktehouders met schriftelijke toestemming van de jachthouder, aangewezen als categorieën van personen die ter voorkoming van schade aan de flora en fauna de stand van de vos op het grondgebied van de provincie Overijssel, waar zij gerechtigd zijn tot de uitoefening van de jacht met behulp van het geweer, alsmede honden niet zijnde lange honden, kunnen beperken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401758/2.

Datum uitspraak: 23 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle van 16 januari 2004 in het geding tussen:

Stichting De Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen,

en

verzoeker.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2003, aangevuld bij besluiten van 28 januari 2003 en 4 februari 2003, heeft verzoeker jachthouders, alsmede jachtaktehouders met schriftelijke toestemming van de jachthouder, aangewezen als categorieën van personen die ter voorkoming van schade aan de flora en fauna de stand van de vos op het grondgebied van de provincie Overijssel, waar zij gerechtigd zijn tot de uitoefening van de jacht met behulp van het geweer, alsmede honden niet zijnde lange honden, kunnen beperken.

Bij besluit van 15 mei 2003 heeft verzoeker het daartegen door de Stichting De Faunabescherming (hierna: de Stichting) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 oktober 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle het daartegen door de Stichting ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, en verzoeker opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van het in de uitspraak bepaalde. Voorts heeft de rechtbank het besluit van verzoeker van 21 januari 2003, zoals aangevuld bij besluiten van 28 januari 2003 en 4 februari 2003, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geschorst tot en met zes weken nadat opnieuw op het bezwaar is beslist.

Bij besluit van 1 december 2003 heeft verzoeker het daartegen door de Stichting gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond, en voor het overige ongegrond verklaard. Daarbij heeft verzoeker zijn besluit van 21 januari 2003, zoals aangevuld bij besluiten van 28 januari 2003 en 4 februari 2003, in die zin herroepen, dat de aanwijzing (slechts) geldt voor de periode 1 december 2003 tot en met 15 juli 2004.

Bij uitspraak van 16 januari 2004, verzonden op 19 januari 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door de Stichting ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, en verzoeker opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van het in de uitspraak bepaalde. Voorts heeft de voorzieningenrechter het besluit van verzoeker van 21 januari 2003, zoals aangevuld bij besluiten van 28 januari 2003 en 4 februari 2003, geschorst voorzover geldend na 31 mei 2004.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 26 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2004, hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft hij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 april 2004, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. W.E.M. Klostermann, advocaat te Zwolle, en de Stichting, vertegenwoordigd door H.H. Niesen, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Tussen partijen staat onherroepelijk vast dat verzoeker bevoegd was tot het geven van een aanwijzing als bedoeld in artikel 67 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw). Verzoeker betoogt dat de voorzieningenrechter, in navolging van het in de uitspraak van 17 oktober 2003 bepaalde, ten onrechte heeft geoordeeld dat van deze bevoegdheid slechts met terughoudendheid gebruik mag worden gemaakt, dat een onbeschermdverklaring zoveel mogelijk op maat en in ieder geval met mate dient te geschieden, en dat alleen tot een minder terughoudende en dus ruime opheffing van de bescherming kan worden besloten indien de noodzaak daarvoor met concrete en objectieve gegevens is aangetoond. Verzoeker betoogt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de bij besluit van 1 december 2003 bepaalde duur van de aanwijzing zich niet verdraagt met artikel 3:4 van de Awb.

2.3. Het betoog van verzoeker dient finaal te worden beoordeeld door de Afdeling bij de behandeling van het geschil in de bodemprocedure.

Voorshands is de Voorzitter van oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat verzoeker, gelet op de belangen van de Stichting, in strijd met artikel 3:4 van de Awb heeft gehandeld door, zonder nadere onderzoeksgegevens ter zake, de termijn voor de duur van de opheffing van de bescherming van de vos, niet te laten bepalen door de voorwaarden waaronder verzoeker de bevoegdheid als bedoeld in artikel 67 van de Ffw volgens de uitspraak van 17 oktober 2003 mag uitoefenen.

2.4. De Voorzitter acht niet op voorhand uitgesloten dat de Afdeling in de bodemprocedure tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak komt. Bij afweging van de betrokken belangen, waaronder in het bijzonder het belang van verzoeker bij voorkoming van door de vos aan de weidevogels en korhoenders aangerichte schade tegenover dat van de Stichting bij beperking van de duur van de aanwijzing, acht de Voorzitter de eerstgenoemde belangen voldoende spoedeisend en zwaarwegend om, in afwachting van de behandeling door de Afdeling, de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij is bepaald dat verzoeker opnieuw beslist op het bezwaar met inachtneming van het in de uitspraak overwogene;

II. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker geen uitvoering hoeft te geven aan de door de voorzieningenrechter getroffen voorlopige voorziening;

III. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 348,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.Z.C. Koutstaal, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Koutstaal

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2004

383.