Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8447

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
200402194/1 en 200402194/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een groothandel/winkelbedrijf in diverse agrarische producten en voor de opslag van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Schouwen-Duiveland, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 6 februari 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402194/1 en 200402194/2.

Datum uitspraak: 21 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van appellanten om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Praxis Doe-Het-Zelf Center B.V." en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Praxis Vastgoed B.V.", beide gevestigd te Amsterdam,

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een groothandel/winkelbedrijf in diverse agrarische producten en voor de opslag van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Schouwen-Duiveland, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 6 februari 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 15 maart 2004, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, beroep ingesteld.

Bij brief van 15 maart 2004, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 april 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. A. Tailleur en P. Trooster, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door J.G. Monteiro en J.A. van Dalen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten hebben gedurende de termijn voor het inbrengen van bedenkingen, gesteld in artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, slechts meegedeeld dat bij hen bedenkingen bestonden. Niet is vermeld waaruit die bedenkingen bestaan. Van het indienen van bedenkingen in de zin van artikel 3:24 is slechts sprake indien ten minste beknopt is aangeduid waarom de indiener zich niet met het ontwerp van het besluit kan verenigen. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten geen ontvankelijke bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.2. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.3. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

II. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2004

255-446.