Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8442

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
200402476/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2004, kenmerk 971408, verzonden op 6 februari 2004, heeft verweerder aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 750,00 per week dat ten aanzien van de inrichting van verzoeker op het perceel Hellegatsweg 2a te Willemstad het aan de vergunning van 13 september 1995 verbonden voorschrift 5.2.2 wordt overtreden en op € 1.000,00 per week dat artikel 8.1 van de Wet milieubeheer wordt overtreden. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, is vastgesteld op respectievelijk € 15.000,00 en € 20.000,00. De begunstigingstermijn eindigt op 31 maart 2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402476/1.

Datum uitspraak: 20 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de Minister van Verkeer en Waterstaat,

verzoeker,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2004, kenmerk 971408, verzonden op 6 februari 2004, heeft verweerder aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 750,00 per week dat ten aanzien van de inrichting van verzoeker op het perceel Hellegatsweg 2a te Willemstad het aan de vergunning van 13 september 1995 verbonden voorschrift 5.2.2 wordt overtreden en op € 1.000,00 per week dat artikel 8.1 van de Wet milieubeheer wordt overtreden. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, is vastgesteld op respectievelijk € 15.000,00 en € 20.000,00. De begunstigingstermijn eindigt op 31 maart 2004.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 22 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2004, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 april 2004, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. M. de Bruijne en W. Voorberg, ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verzoeker betoogt dat er concreet zicht bestaat op legalisatie. Hij voert aan dat op 1 september 2004 een nieuw depot in gebruik zal worden genomen dat zal voldoen aan de vigerende milieuwetgeving. Voorts stelt hij dat op 1 september 2003 met verweerder is afgesproken dat de huidige activiteiten op de vloer van de inrichting mogen worden voortgezet totdat de nieuwe servicekade in gebruik is genomen, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

2.2. De Voorzitter maakt uit de brieven van verweerder van 31 maart 2004 en van 5 april 2004 op dat door verweerder een procedure wordt gestart om het op 10 maart 2004 ingediende gedoogverzoek van verzoeker te beoordelen. Indien wordt overgegaan tot het afgeven van een gedoogverklaring zal het bestreden besluit worden ingetrokken, zo blijkt uit deze brieven. Hoewel volgens de tweede brief het starten van de procedure om te komen tot een gedoogverklaring niet garandeert dat deze zal worden afgegeven, ziet de Voorzitter in het vorenstaande aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft daarbij in aanmerking genomen dat legalisering niet uitgesloten is en dat de bestaande bedrijfsvoering niet van dien aard is gebleken te zijn dat de mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu zich keren tegen een voortzetting daarvan in afwachting van de beslissing op bezwaar.

2.3. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 3 februari 2004, kenmerk 971408, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2004

255-446.