Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8428

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
28-04-2004
Zaaknummer
200302977/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 september 2002 heeft de gemeenteraad van Leeuwarden, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 september 2002, het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Hemrik" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302977/1.

Datum uitspraak: 28 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. de vereniging "V.v.E. De Wylaard", gevestigd te Leeuwarden,

(hierna: V.v.E. De Wylaard),

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellante sub 5], gevestigd te [plaats],

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], handelend onder de naam "Phoenix Botenverhuur", wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8], handelend onder de naam [naam bedrijf], wonend te Leeuwarden,

9. [appellant sub 9], handelend onder de naam "MDV Industrial Consultancy", wonend te [woonplaats],

10. de vennootschap onder firma "Expack Direct Delivery", gevestigd te Leeuwarden (hierna: Expack Direct Delivery),

11. [appellant sub 11], handelend onder de naam [naam bedrijf], wonend te [woonplaats],

12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Edelweiss B.V.", gevestigd te Leeuwarden (hierna: Edelweiss B.V.),

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2002 heeft de gemeenteraad van Leeuwarden, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 september 2002, het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Hemrik" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 1 april 2003, kenmerk 518541, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 9 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2003, appellant sub 2 bij brief van 6 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2003, appellante sub 3 bij brief van 6 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2003, appellant sub 4 bij brief van 19 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2003, appellante sub 5 bij brief van 19 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2003, appellant sub 6 bij brief van 20 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2003, appellant sub 7 bij brief van 20 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2003, appellant sub 8 bij brief van 20 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2003, appellant sub 9 bij brief van 21 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2003, appellante sub 10 bij brief van 21 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2003, appellant sub 11 bij brief van 21 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2003, en appellante sub 12 bij brief van 21 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2003, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 29 juli 2003 meegedeeld dat geen verweer wordt uitgebracht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden en van [appellant sub 6]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2004, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden, appellanten sub 4 t/m 12, vertegenwoordigd door mr. E. Wiarda, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. D.D. Jansen zijn verschenen. Voorts zijn namens de gemeenteraad H. Helbig, P. Woudstra en J. Wijkhuijs, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het bestemmingsplan voorziet in een geactualiseerde planologische regeling voor het bedrijventerrein De Hemrik aan de oostkant van Leeuwarden.

2.3. De beroepen van [appellante sub 1], V.v.E. De Wylaard en [appellant sub 2] hebben betrekking op de in het plan opgenomen regeling voor windturbines.

V.v.E. De Wylaard en [appellant sub 2] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover dit bij vrijstelling de bouw van windturbines op het bedrijventerrein mogelijk maakt op een afstand van 500 meter van hun woningen. Appellanten vrezen aantasting van hun woongenot vanwege zicht- en schaduwhinder en stellen dat het plan op dit punt in strijd is met het streekplan Windstreek 2000.

[appellante sub 1] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover dit de bouw van windturbines op een afstand van minder dan 500 meter tot de aaneengesloten bebouwing van Camminghaburen en Aldlân uitsluit, waardoor plaatsing van een windturbine op het terrein van haar bedrijf niet mogelijk is. Zij acht deze afstandseis niet redelijk en onvoldoende onderbouwd en wijst erop dat zij reeds over een onherroepelijke milieuvergunning beschikt. [appellante sub 1] stelt zich op het standpunt dat de visuele gevolgen van de door haar gewenste windturbine beperkt zijn. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij een rapportage van Adviesbureau Copijn overgelegd.

2.3.1. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft de desbetreffende planonderdelen goedgekeurd. Hij kan zich verenigen met de door de gemeenteraad aan dit gedeelte van het plan ten grondslag gelegde uitgangspunten en acht, mede in verband hiermee, een aan te houden afstand van 500 meter tot de woonbebouwing van Camminghaburen en Aldlân voor windturbines redelijk. Aan de door [appellante sub 1] overgelegde rapportage van Adviesbureau Copijn is verweerder voorbijgegaan op grond van de overweging dat daarin geen integrale belangenafweging opgesloten ligt.

2.3.2. Ingevolge artikel 16, vijfde lid, van de planvoorschriften, kunnen burgemeester en wethouders met in achtneming van het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen, vrijstelling verlenen van de bestemmingsplanbepalingen voor de bouw van een windturbine met een maximale hoogte van 50 meter.

Ingevolge artikel 3 (Beschrijving in Hoofdlijnen), tweede lid, onder 2.1., voorzover hier van belang, zal de vrijstellingsbepaling niet worden toegepast op een afstand van minder dan 500 meter tot de aaneengesloten woonbebouwing van Camminghaburen en Aldlân.

2.3.3. Blijkens de stukken wordt met de regeling voor windturbines beoogd uitvoering te geven aan het provinciale beleid neergelegd in het streekplan Windstreek 2000 dat erop is gericht het opwekken van windenergievermogen op een landschappelijk aanvaardbare manier mogelijk te maken. Voor de plaatsing van solitaire windturbines biedt dit streekplan de gemeenten de mogelijkheid nieuwe solitaire windturbines te plaatsen op of aansluitend bij een bedrijventerrein in de stedelijke of regionale centra met een maximale hoogte van 60 meter. Aan het plaatsen van solitaire windturbines dient blijkens het streekplan een landschappelijke inrichtingsschets ten grondslag te liggen.

Voorzover hier van belang, vermeldt het streekplan voorts dat windturbineopstellingen geen onevenredige afbreuk mogen doen aan onder meer de woonfunctie. Tevens is in Bijlage I bij het streekplan de aanbeveling opgenomen een voldoende grote afstand tot schaduwgevoelige objecten aan te houden teneinde de kans op hinder als gevolg van slagschaduw te verminderen.

Het streekplanbeleid komt de Afdeling niet onredelijk dan wel onjuist voor.

Ter nadere invulling van het streekplanbeleid hanteert de gemeenteraad blijkens de stukken voor het plaatsen van windturbines in de nabijheid van woonbebouwing als richtlijn voor visuele hinder een zichthoek van minimaal 1:10. Dat wil zeggen dat bij een masthoogte van 50 meter de afstand tot woonbebouwing minimaal 500 meter dient te bedragen.

2.3.4. Ten aanzien van de bezwaren van V.v.E. De Wylaard en [appellant sub 2] ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bouw van windturbines zal leiden tot een onevenredige vermindering van hun woongenot.

De Afdeling sluit zichthinder niet uit, maar acht niet aannemelijk dat de plaatsing van windturbines op een afstand van minimaal 500 meter van hun appartementencomplex tot een ernstige aantasting van het uitzicht zal leiden, met name nu blijkens de stukken vanwege de beperkte geluidruimte slechts enkele windturbines op het bedrijventerrein kunnen worden gebouwd.

Gelet op genoemde afstand, acht de Afdeling voorts niet aannemelijk, dat de windturbines onaanvaardbare slagschaduwhinder met zich zullen brengen. In dit verband heeft verweerder er op gewezen dat de turbines moeten voldoen aan de voorschriften uit het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer. Daarin is bepaald dat onder omstandigheden de windturbine moet zijn voorzien van een automatische stilstandvoorziening ter voorkoming van hinder als gevolg van slagschaduw.

Het voorgaande in aanmerking genomen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt in strijd is met het in het streekplan Windstreek 2000 vastgelegde beleid.

2.3.5. De Afdeling stelt vast dat de locatie waar [appellante sub 1] een windturbine wil plaatsen zich op een afstand van ongeveer 290 meter van de woonwijk Camminghaburen bevindt.

Voorzover [appellante sub 1] heeft aangevoerd dat in het plan de bouw van windturbines zonder meer had moeten worden toegestaan, heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met het standpunt van de gemeenteraad dat dit niet wenselijk is, omdat hij vanwege de beperkt beschikbare geluidruimte voor het plaatsen van windturbines elk geval afzonderlijk wil kunnen beoordelen.

Ten aanzien van de afstandseis van 500 meter, is verweerder er blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting van uitgegaan dat de gemeenteraad daaraan naast visuele ook akoestische overwegingen ten grondslag heeft gelegd. Daarbij heeft hij verwezen naar in opdracht van de gemeenteraad gemaakte akoestische berekeningen, waaruit onder meer naar voren komt dat bij een afstand van meer dan 510 meter van de grens van de geluidzone rond het bedrijventerrein windmolens geen invloed meer hebben op deze zone. Van de zijde van de gemeenteraad is ter zitting echter benadrukt dat de afstandseis van 500 meter uitsluitend is ingegeven door overwegingen van visuele aard en dat akoestische argumenten daarbij geen rol hebben gespeeld.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat er niet zonder meer aan kan worden voorbij gegaan dat [appellante sub 1] reeds over een onherroepelijke milieuvergunning voor de plaatsing van de door haar gewenste windturbine beschikt, acht de Afdeling het niet juist dat verweerder in zijn besluit niet inhoudelijk is ingegaan op de door [appellante sub 1] overgelegde rapportage van Adviesbureau Copijn. Daarin wordt onder meer gesteld dat de windturbine die appellante wil plaatsen geen ernstige visuele gevolgen zal hebben, waarbij in aanmerking is genomen dat het zicht reeds grotendeels wordt bepaald door op het bedrijventerrein aanwezige hoogspanningsmasten.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellante sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit, voorzover het betreft de goedkeuring van artikel 16, vijfde lid, en artikel 3 (Beschrijving in Hoofdlijnen), tweede lid, onder 2.1., van de planvoorschriften, voorzover daarin is bepaald dat de te verlenen vrijstelling voor de bouw van een windturbine niet zal worden toegepast op een afstand van minder dan 500 m tot de aaneengesloten woonbebouwing van Camminghaburen en Aldlân, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Nu het besluit op grondslag van het beroep van [appellante sub 1] in zoverre wordt vernietigd, zijn de beroepen van V.v.E. De Wylaard en [appellant sub 2] die zich keren tegen hetzelfde onderdeel van het besluit eveneens gegrond.

2.4. [appellant sub 4], [appellante sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], Expack Direct Delivery, [appellant sub 11] en Edelweiss B.V. stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover dit niet voorziet in de mogelijkheid een bedrijfswoning te bouwen op hun bedrijfspercelen ten zuiden van de Ceresweg. Volgens appellanten zijn bij hen verwachtingen gewekt dat de bouw van een bedrijfswoning zou worden toegestaan. Daarnaast wijzen zij op de elders op het bedrijventerrein aanwezige bedrijfswoningen. Voorts stellen appellanten in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bedrijfsklasse-indeling van het bedrijventerrein in het algemeen en tegen die van de gronden ten noorden van de Ceresweg in het bijzonder. De bedrijfsklasse-indeling III van de gronden ten noorden van de Ceresweg betekent volgens appellanten dat op hun bedrijfspercelen geen bedrijfswoningen kunnen worden gebouwd. Gelet op de aard van de aldaar gevestigde bedrijven, kan naar hun mening met indeling in een lagere klasse worden volstaan.

2.4.1. Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft de desbetreffende planonderdelen goedgekeurd. Hij stemt in met de uitgangspunten die de gemeenteraad ten aanzien van het toelaten van bedrijfswoningen op het bedrijventerrein aan het bestemmingsplan ten grondslag heeft gelegd en ziet geen reden daarop voor appellanten een uitzondering te maken. Voorts kan hij zich verenigen met de bedrijfsklasse-indeling van het bedrijventerrein in het algemeen en met die van de gronden ten noorden van de Ceresweg in het bijzonder.

2.4.2. Blijkens de plankaart is aan de bedrijfspercelen van appellanten de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” toegekend. Met uitzondering van het bedrijfsperceel van [appellant sub 8], zijn de percelen tevens voorzien van de aanduiding “klasse II”. Ingevolge artikel 4, lid A, onder 2, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1, 2 en 3.

Ingevolge artikel 4, lid A, onder 4, zijn de als “Bedrijfsdoeleinden” aangewezen gronden mede bestemd voor een bedrijfswoning, indien deze op de kaart zijn voorzien van de aanduiding “bedrijfswoning toegestaan”. De bedrijfspercelen van appellanten zijn niet van een dergelijke aanduiding voorzien.

Ingevolge artikel 4, lid D, onder 2, sub a, voorzover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders met inachtneming van het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen, vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid B, onder 1, sub b, en toestaan dat, indien de gronden op de kaart niet zijn voorzien van de aanduiding “bedrijfswoning toegestaan” een bedrijfswoning wordt gebouwd, mits de gronden zijn voorzien van de aanduiding “klasse I”.

2.4.3. Uit het onderzoek ter zitting is gebleken dat het bedrijfsperceel van [appellant sub 8] met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” op de plankaart is voorzien van de aanduiding “klasse I”. Het plan maakt ingevolge artikel 4, lid D, onder 2, sub a, voornoemd, bij vrijstelling de bouw van een bedrijfswoning op deze gronden mogelijk. Het beroep van [appellant sub 8] mist dan ook in zoverre feitelijke grondslag.

2.4.4. Ten aanzien van de beroepen van de overige appellanten en voorzover [appellant sub 8] zich op het standpunt stelt dat de mogelijkheid een bedrijfswoning te bouwen bij recht in het plan had moeten worden opgenomen overweegt de Afdeling als volgt.

Blijkens de stukken heeft de gemeenteraad ervoor gekozen voorrang te geven aan de ontwikkelingsmogelijkheden voor bedrijven, aangezien het bedrijventerrein in ontwikkeling is en nog ruimte biedt voor zowel de vestiging van nieuwe bedrijven als de uitbreiding van bestaande bedrijven, en is beoogd factoren die de ontwikkeling van het bedrijventerrein negatief beïnvloeden uit te sluiten. In dit verband heeft de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan als uitgangspunt gehanteerd dat – met uitzondering van het gebied rond de jachthaven - nieuwe bedrijfswoningen dienen te worden geweerd, aangezien deze de ontwikkeling van bedrijvigheid kunnen frustreren. De reeds aanwezige bedrijfswoningen, die zich met name bij de jachthaven bevinden, zijn door middel van de aanduiding “bedrijfswoning toegestaan” als zodanig bestemd. In verband hiermee zijn de gronden rondom de jachthaven tevens voorzien van de aanduiding “klasse I”.

De Afdeling is van oordeel dat verweerder in redelijkheid met de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde uitgangspunten heeft kunnen instemmen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder ten aanzien van appellanten hierop een uitzondering had moeten toestaan.

Voorzover appellanten in het kader van hun beroep op het vertrouwensbeginsel hebben gewezen op de inhoud van de notariële leveringsakte van de desbetreffende gronden en de gang van zaken rond de bouwvergunningprocedures – wat daar verder ook van zij – overweegt de Afdeling dat zij daarmee niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt dat het plan ten aanzien van hun percelen in een bedrijfswoning zou voorzien. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden.

Ten aanzien van het bezwaar van appellanten dat op de gronden die in het bestemmingsplan “Hemrik” de bestemming “Industrieterrein, klasse BA” hadden bij recht één dienstwoning was toegestaan, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een vorig bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan op dit uitgangspunt een uitzondering had moeten worden gemaakt. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat ten tijde van het bestreden besluit geen van de appellanten over een onherroepelijke bouwvergunning voor een dienstwoning beschikte.

Wat betreft het argument van appellanten dat bedrijfswoningen geen geluidsgevoelige objecten zijn in de zin van de Wet geluidhinder en derhalve in die zin de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijventerrein niet beperken, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet alleen geluidhinder, maar ook aspecten als geur- en stofhinder en veiligheidsrisico’s in beschouwing dienen te worden genomen.

Ten aanzien van de door appellanten gemaakte vergelijking met een aantal bedrijfswoningen nabij de jachthaven aan de Venusweg en de Avondsterweg overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan. Zij neemt daarbij in aanmerking dat bedoelde bedrijfswoningen ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan reeds aanwezig waren dan wel dat daarvoor reeds bouwvergunningen waren verleend.

2.4.5. [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], Expack Direct Delivery en Edelweiss B.V. hebben een gedeelte van hun bedrijfspanden ingericht als bedrijfswoning. Zij zijn van mening dat bewoning van een bedrijfspand op grond van het vorige bestemmingsplan niet was verboden.

De gemeenteraad heeft in de stukken en ter zitting naar voren gebracht dat de bedrijfswoningen zonder de daartoe vereiste vergunningen zijn gerealiseerd, hetgeen door appellanten niet is bestreden.

In het vorige bestemmingsplan waren aan de desbetreffende gronden in overwegende mate de bestemmingen “Water”, ”Openbaar Groen”, “Verkeersdoeleinden” en “Spoorwegdoeleinden” met bijbehorende doeleindenomschrijving toegekend. De bouw van (bedrijfs)woningen op gronden die als zodanig waren aangewezen, was ingevolge dat plan niet toegestaan.

Uit de stukken blijkt dat appellanten vergunningen hebben aangevraagd voor de verwezenlijking van dienstwoningen, maar dat deze niet zijn verleend.

Voorts heeft de gemeenteraad ter zitting verklaard dat het voornemen bestaat tegen de illegale dienstwoningen alsnog handhavend op te treden, zodat aannemelijk is dat de strijdigheid met de bestemmingsregeling binnen de planperiode zal worden opgeheven.

Gelet op het voorgaande en mede in aanmerking genomen het door de gemeenteraad aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde uitgangspunt om geen nieuwe bedrijfswoningen op het bedrijventerrein toe te staan – waarmee, zoals onder 2.4.4. is overwogen, verweerder in redelijkheid heeft kunnen instemmen - was er naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding de gerealiseerde bedrijfswoningen als zodanig te bestemmen. De omstandigheid dat in het vorige bestemmingsplan geen expliciet gebruiksverbod was opgenomen kan aan het voorgaande dan ook niet afdoen.

2.4.6. Wat betreft de zonering van het bedrijventerrein heeft de gemeenteraad gekozen voor een indeling waarbij langs de randen in de nabijheid van woonbebouwing uitsluitend lichte tot middelzware bedrijven mogen worden gevestigd. Dit gedeelte van het bedrijventerrein is aangeduid als “klasse II” en voorzover het de gronden in de nabijheid van de jachthaven betreft als “klasse I”. Op het centraal gelegen deel van het bedrijventerrein en op het gedeelte dat grenst aan het Industrieterrein Leeuwarden-Oost zijn zwaardere vormen van bedrijvigheid toegestaan. Dit deel is voorzien van de aanduiding “klasse III”. De gemeenteraad heeft bij de zonering de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ als uitgangspunt genomen.

De Afdeling is niet gebleken dat verweerder in het algemeen niet in redelijkheid met deze zonering heeft kunnen instemmen.

Ten aanzien van de gronden ten noorden van de Ceresweg in het bijzonder, blijkt uit de stukken dat op dit gedeelte van het bedrijventerrein nog ontwikkelingsruimte aanwezig is voor zowel bestaande als nieuwe bedrijven. Gelet op het gemeentelijke beleid om de beschikbare milieuruimte ten volle te benutten en de maximaal haalbare milieucategorieën in het gebied toe te staan, heeft verweerder in redelijkheid met de indeling in

klasse III van de desbetreffende gronden kunnen instemmen. Aan de door appellanten aangevoerde omstandigheid dat de ter plaatse reeds gevestigde bedrijven in een lagere milieucategorie vallen, behoefde verweerder in dit verband geen doorslaggevend gewicht toe te kennen.

Vanwege de nog aanwezige ontwikkelingsmogelijkheden, kon verweerder voorts in redelijkheid voorbij gaan aan het verzoek van appellanten om een correctie toe te passen op de ingevolge de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ aan te houden afstanden.

Ten aanzien van het bezwaar van appellanten dat blijkens de plantoelichting het bedrijventerrein is bedoeld voor bedrijven met een schoon karakter, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet wegneemt dat op dergelijke bedrijven vanwege de aspecten gevaar en geluid de aanduiding “klasse III” van toepassing kan zijn.

Voorts is ter zitting komen vast te staan dat, anders dan appellanten betogen, de geluidszone rond het bedrijventerrein, voorzover gelegen op het grondgebied van de gemeente Tytsjerksteradiel, bij de vaststelling in 1998 van het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied van die gemeente niet is opgeheven.

Tot slot is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de bestemmingswijziging van het perceel Rustenburgweg 15 te Tytsjerksteradiel eerst na de datum van het bestreden besluit heeft plaatsgevonden.

2.4.7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen van [appellant sub 4], [appellante sub 5], [appellant sub 9], [appellant sub 11], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], Expack Direct Delivery, en Edelweiss B.V. zijn ongegrond.

2.5. Verweerder dient ten aanzien van [appellante sub 1] op na te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling merkt daarbij op dat de kosten van het deskundigenrapport niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu appellante deze kosten niet nader heeft gespecificeerd. Ten aanzien van V.v.E. De Wylaard en [appellant sub 2] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellante sub 1], V.v.E. De Wylaard en [appellant sub 2] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 1 april 2003, kenmerk 518541, voorzover het betreft de goedkeuring van artikel 16, vijfde lid, en artikel 3 (Beschrijving in Hoofdlijnen), tweede lid, onder 2.1., van de planvoorschriften, voorzover daarin is bepaald dat de te verlenen vrijstelling voor de bouw van een windturbine niet zal worden toegepast op een afstand van minder dan 500 m tot de aaneengesloten woonbebouwing van Camminghaburen en Aldlân;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 4], [appellante sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], Expack Direct Delivery, [appellant sub 11] en Edelweis B.V. ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Fryslân in de door [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Fryslân te worden betaald aan appellante;

V. gelast dat de provincie Fryslân aan [appellante sub 1], [appellant sub 2] en V.v.E. De Wylaard het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 232,00 voor [appellante sub 1] en V.v.E. De Wylaard en € 116,00 voor [appellant sub 2]) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Prins

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2004

363