Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8014

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
200306497/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2003, kenmerk MW02.25857, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante voor de periode tot 1 september 2008 een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd voor het bewaren, bewerken en verwerken van – van buiten de inrichting afkomstige – (gevaarlijke) scheepsafvalstoffen op het perceel Polder 48 te Gendt, kadastraal bekend gemeente Gendt, sectie B, nummers 827, 994 en 1197. Dit besluit is op 21 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/4433
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306497/1.

Datum uitspraak: 21 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Inzamelstation Nijmegen B.V.", gevestigd te Gendt,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2003, kenmerk MW02.25857, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante voor de periode tot 1 september 2008 een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd voor het bewaren, bewerken en verwerken van – van buiten de inrichting afkomstige – (gevaarlijke) scheepsafvalstoffen op het perceel Polder 48 te Gendt, kadastraal bekend gemeente Gendt, sectie B, nummers 827, 994 en 1197. Dit besluit is op 21 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 29 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 14 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 december 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door J.O. de Boois, gemachtigde, is verschenen.

Voorts is als partij gehoord de regionaal inspecteur VROM-inspectie Regio Oost, vertegenwoordigd door H. Colijn, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Voor de onderhavige inrichting is bij besluit van 28 juli 1997 voor de periode tot 1 juni 2002 een revisievergunning verleend als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor het bewaren en/of be-/verwerken van gevaarlijke scheepsafvalstoffen.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Het beroep van appellante richt zich tegen het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.4 dat betrekking heeft op een van de inrichting deel uitmakend ponton, genaamd “Hulhuizen”, bestemd voor het opslaan van brandbare vloeistoffen. Appellante voert aan dat er geen wettelijke basis is om een communautair certificaat op basis van de Binnenschepenwet voor te schrijven. Verder voert appellante aan dat in dit voorschrift ten onrechte wordt verwezen naar de richtlijn CPR 9-6 van de Commissie Preventie van Rampen voor Gevaarlijke stoffen (hierna: de CPR 9-6). Daartoe wijst zij er op dat de bestaande leidingen, appendages en verbindingen aan boord van de ponton niet zijn gefabriceerd en geïnstalleerd overeenkomstig de CPR 9-6. Inspectie op basis van de voorschriften van de CPR 9-6 is volgens appellante dan ook niet mogelijk. Volgens haar wordt de vergunning in feite gedeeltelijk geweigerd.

2.3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voorschrift 3.4 nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Volgens hem zijn waarborgen nodig ten aanzien van de externe veiligheid en ter voorkoming van emissies naar de lucht en het water in geval van calamiteiten. Wat het vereiste van een communautair certificaat betreft, merkt verweerder op dat de scheepvaartinspectie een zogenoemde cascomatige keuring zal uitvoeren. Indien de ponton aan de vereisten voldoet, zal de scheepvaartinspectie een communautair certificaat afgeven. Verweerder acht het voorts niet onredelijk belastend dat het leidingwerk dient te voldoen aan de CPR 9-6. Volgens hem wordt de in de aanvraag beschreven situatie het beste benaderd door de CPR 9-6. Verweerder stelt dat in zoverre geen sprake is van een verkapte weigering van de vergunning.

2.3.2. Voorzover hier van belang is in voorschrift 3.4 bepaald dat voor de ponton Hulhuizen binnen de inrichting een geldig communautair certificaat binnenschepen aanwezig dient te zijn. Leidingen, appendages en verbindingen op de ponton Hulhuizen dienen ten minste eenmaal per vijf jaar aan een inspectie door een externe deskundige te worden onderworpen. Deze inspectie moet worden uitgevoerd conform de voorschriften 4.2.1 en 4.2.2 van de CPR 9-6.

2.3.3. In artikel 1, eerste lid, van het Binnenschepenbesluit – een algemene maatregel van bestuur krachtens de Binnenschepenwet – is bepaald dat onder een communautair certificaat dient te worden verstaan een certificaat als bedoeld in de richtlijn 82/714/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen.

In artikel 4, eerste lid, van het Binnenschepenbesluit is vastgelegd voor welke vaartuigen (het hoofd van) de scheepvaartinspectie een communautair certificaat kan afgeven.

2.3.4. Mede op basis van het deskundigenbericht stelt de Afdeling vast dat een ponton als de onderhavige niet kan worden geschaard onder een van de in artikel 4, eerste lid, van het Binnenschepenbesluit genoemde vaartuigen. Gelet hierop staat vast dat de scheepvaartinspectie in het geheel geen communautair certificaat kan afgeven voor deze ponton. Door niettemin in voorschrift 3.4 een dergelijk communautair certificaat voor te schrijven, heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig voorbereid.

2.3.5. De Afdeling overweegt voorts dat in de voorschriften 4.2.1 en 4.2.2 van de CPR 9-6, waarnaar in voorschrift 3.4 wordt verwezen, constructie-eisen zijn neergelegd voor leidingen, appendages en verbindingen. Blijkens de stukken is het bestaande leidingwerk niet aangelegd conform de CPR 9-6. Vast staat echter dat in de aanvraag het bestaande leidingwerk als uitgangspunt is genomen. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Voorschrift 3.4 brengt met zich dat voorzieningen dan wel aanpassingen worden voorgeschreven die niet in de aanvraag worden vermeld en bovendien zeer ingrijpend van aard zijn. Nog daargelaten de vraag of de CPR 9-6 passend is in een situatie als de onderhavige, heeft verweerder hiermee de grondslag van de aanvraag verlaten. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het stelsel van de Wet milieubeheer.

2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wat voorschrift 3.4 betreft.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 5 augustus 2003, kenmerk MW02.25857, voorzover het voorschrift 3.4 betreft;

III. draagt het college van gedeputeerde staten van Gelderland op binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 47,88; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellante;

V. gelast dat de provincie Gelderland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.D. Geertsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Geertsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2004

335.