Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8006

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
200306831/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dantumadeel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een garage/berging op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie[…], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306831/1.

Datum uitspraak: 21 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 4 september 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Dantumadeel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dantumadeel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een garage/berging op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie[…], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 28 oktober 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 september 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 10 november 2003 en 3 december 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 december 2003 heeft het college van antwoord gediend. Bij brief van 15 januari 2004 heeft het college stukken toegezonden.

Bij brief van 16 januari 2004 heeft vergunninghouder een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. A.J. Spoelstra, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door R. de Boer, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar vergunninghouder, bijgestaan door mr. B. Hiemstra, advocaat te Dokkum, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in een garage/berging met een oppervlakte van 49 m2 en een hoogte van 4.20 meter.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Omgeving Conradi Veenlandstraat”, is het perceel bestemd voor “Woondoeleinden B”.

Ingevolge artikel 5, derde lid, sub a, aanhef en onder 6, van de planvoorschriften geldt ten aanzien van gebouwen dat de oppervlakte van aan- en uitbouwen en losstaande bergingen per woning niet meer dan de oppervlakte van de woning mag bedragen met een maximum van 50 m2.

Ingevolge artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, kan het college met inachtname van het gestelde in de beschrijving in hoofdlijnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het derde lid, sub a, aanhef en onder 6, tot een oppervlakte van ten hoogste 100 m2 ten behoeve van wonen en daarbij passende beroepen en hobby’s.

In artikel 5, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften (beschrijving in hoofdlijnen) is bepaald dat de toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid beperkt dient te blijven tot incidentele gevallen, waarbij geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de belangen te stellen ten opzichte van de bewoonbaarheid van aangrenzende woningen en tuinen ten aanzien van bezonning en privacy.

2.3. Niet in geschil is dat het bouwplan tot gevolg heeft dat de maximaal toegestane oppervlakte van aan- en uitbouwen en losstaande bergingen wordt overschreden. Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college vrijstelling, als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, onder a, van de planvoorschriften, verleend.

2.4. Evenmin is in geschil dat het bouwplan geen onevenredige afbreuk doet aan de bewoonbaarheid van de aangrenzende woning en aan de belangen van appellant ten aanzien van zijn privacy. Appellant betoogt evenwel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat slechts sprake is van een beperkte vermindering van zon- en daglichttoetreding.

Dit betoog faalt. De Afdeling is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Zij vindt hiervoor steun in het door appellant in hoger beroep overgelegde bezonningsrapport van DGMR Raadgevende Ingenieurs B.V., waarin wordt geconcludeerd dat het bouwplan slechts leidt tot een relatief geringe toename van de schaduwwerking op raam 1 van de serre van appellant tussen 07.00 uur en 08.30 uur. Gelet hierop, is geen sprake van een zodanige schending van de belangen van appellant dat vrijstelling niet in redelijkheid kon worden verleend.

Het college had, anders dan appellant betoogt, evenmin aanleiding hoeven te zien nadere eisen te stellen ten aanzien van de bouwhoogte of de nokrichting van de garage/berging. Daarbij is van belang dat ook een nokrichting evenwijdig aan de perceelsgrens niet of nauwelijks tot een verbetering zou hebben geleid.

2.5. Voor het oordeel ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld omdat op de door vergunninghouder bij de bouwaanvraag ingediende situatietekeningen de serre van appellant niet is ingetekend en het college nimmer ter plaatse is geweest, bestaat evenmin grond. Uit de stukken blijkt dat het college van de feitelijke situatie ter plaatse in voldoende mate op de hoogte was.

2.6. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet kan worden staande gehouden dat het college bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen voor het bouwplan.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Van Roosmalen

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2004

53-422.