Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8005

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
200306186/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2001 heeft de raad van de gemeente Boarnsterhim (hierna: de raad) geweigerd vrijstelling met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen voor het bouwen van een woning op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306186/1.

Datum uitspraak: 21 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 12 augustus 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Boarnsterhim.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2001 heeft de raad van de gemeente Boarnsterhim (hierna: de raad) geweigerd vrijstelling met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen voor het bouwen van een woning op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 15 oktober 2002 heeft de raad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 augustus 2003, verzonden op 13 augustus 2003, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 oktober 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 januari 2004 heeft de raad van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. W. Sleijfer, advocaat te Leeuwarden, en de raad, vertegenwoordigd door R.S. Meulenaar en S. Hoogenkamp, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan waarop het vrijstellingsverzoek betrekking heeft ziet op het oprichten van een tweede bedrijfswoning op het perceel.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied” heeft het perceel de bestemming “Niet-agrarische bedrijven”.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, onder a, sub 3, van de planvoorschriften, bedraagt het aantal bedrijfswoningen per bestemmingsvlak niet meer dan het bestaande aantal.

2.3. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het vrijstellingsverzoek heeft immers betrekking op een uitbreiding van het aantal bedrijfswoningen binnen het bestemmingsvlak. Dat op het perceel twee bedrijven worden uitgeoefend, zoals appellant betoogt, kan daar niet aan afdoen.

2.4. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voorzover hier van belang, kan de gemeenteraad, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.5. Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de raad in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen weigeren, faalt. Niet valt in te zien dat de raad niet in redelijkheid kon vasthouden aan het in het bestemmingsplan neergelegde ruimtelijke beleid, waarin is aangegeven dat het aantal bedrijfswoningen per bestemmingsvlak niet meer bedraagt dan het bestaande aantal. Voorts heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat het beschikbare woningcontingent evenmin mogelijkheden biedt voor een extra woning ter plaatse. Ook kan niet worden staande gehouden dat de raad niet in redelijkheid in de aangevoerde medische gronden geen grond heeft kunnen zien die tot afwijking van het bestemmingsplan noopt. Daarbij neemt de Afdeling evenals de rechtbank in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat de benodigde aanpassingen niet in de bestaande woning gerealiseerd kunnen worden. Voorts is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat evenmin is gebleken van de door appellant gestelde noodzaak van een tweede bedrijfswoning, aangezien de twee op het bestemmingsvlak aanwezige bedrijven door appellant en zijn echtgenote worden gedreven. In de omstandigheid dat appellant de verkoop van een van de bedrijven wenst te bevorderen door de bouw van een bedrijfswoning, heeft de raad geen aanleiding behoeven zien van het in het bestemmingsplan neergelegde beleid af te wijken.

Derhalve is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat niet staande kan worden gehouden dat de raad de weigering om vrijstelling te verlenen niet in redelijkheid in bezwaar heeft kunnen handhaven.

2.6. Aan de omstandigheid dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boarnsterhim in zijn brief van 27 mei 1999 heeft aangegeven in principe bereid te zijn met toepassing van artikel 19 van de WRO, zoals dat tot 3 april 2000 luidde, medewerking aan het bouwen van een woning te verlenen kan niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat de raad aan het onderhavige vrijstellingsverzoek medewerking zou verlenen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college er in die brief op heeft gewezen dat een definitief standpunt zal worden ingenomen over de daadwerkelijke toepassing van de vrijstellingsprocedure nadat een bouwaanvraag is ingediend, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel reeds daarom faalt. Voorts heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat de bevoegdheid voor het verlenen van de gevraagde vrijstelling niet bij het college berust, zodat ook daarom geen geslaagd beroep op dat beginsel kan worden gedaan. Dat ten tijde van de genoemde brief het college nog wel bevoegd was vrijstelling te verlenen, maakt dat niet anders.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2004

378.