Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO8004

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
200306844/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dinxperlo (hierna: het college) aan Massop Vastgoed B.V. met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van 12 woningen op het binnenterrein omsloten door de Minister Ringersstraat, de Molenstraat, de Maurits Prinsstraat en de Dr. Van der Meerstraat te Dinxperlo, kadastraal bekend gemeente Dinxperlo, sectie A, nummers 4813, 4349, 4354 en 6227 (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306844/1.

Datum uitspraak: 21 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Dinxperlo,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 3 september 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Dinxperlo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dinxperlo (hierna: het college) aan Massop Vastgoed B.V. met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van 12 woningen op het binnenterrein omsloten door de Minister Ringersstraat, de Molenstraat, de Maurits Prinsstraat en de Dr. Van der Meerstraat te Dinxperlo, kadastraal bekend gemeente Dinxperlo, sectie A, nummers 4813, 4349, 4354 en 6227 (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 december 2002 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 3 september 2003, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 8 september 2003, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 januari 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2004, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. H.R.J. Visser, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In hoger beroep betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bij de vermelde verlening van vrijstelling en bouwvergunning.

2.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Blijkens de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 221, nr.3) is met de woorden "wiens belang rechtstreeks is betrokken" een zekere begrenzing beoogd. Een louter subjectief gevoel van sterke betrokkenheid bij een bestuursbesluit is, hoe sterk dat gevoel ook moge zijn, niet voldoende om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij een besluit betrokken belang.

2.3. Bij de beantwoording van de vraag of iemand kan worden aangemerkt als belanghebbende, is volgens vaste jurisprudentie bepalend of appellant in de nabijheid van het te bebouwen perceel woonachtig is of zicht heeft op het bouwplan. In specifieke omstandigheden kunnen ook andere omstandigheden leiden tot de slotsom dat appellant kan worden aangemerkt als belanghebbende.

In het onderhavige geval is de woning van appellant gelegen op een afstand van circa 660 meter van het te bebouwen perceel en heeft hij daarop geen zicht. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen de relatief geringe planologische uitstraling van het bouwplan op de omgeving, moet met de rechtbank worden geoordeeld dat het belang van appellant niet rechtstreeks bij het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning is betrokken. Ook de omstandigheid dat appellant zich, zoals hij stelt, sterk betrokken voelt bij de natuur ter plaatse van het bouwperceel, leidt niet tot het oordeel dat hij kan worden aangemerkt als belanghebbende. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat appellant in de bestemmingsplanprocedure wel is toegelaten als procespartij. In artikel 56 van de WRO is een – van de Awb afwijkende – kring van beroepsgerechtigden opgenomen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Van Roosmalen

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2004

53-422.