Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7993

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
200402424/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2004 heeft verweerder goedkeuring verleend aan een wijziging van het werkplan voor de ontgronding en inrichting van de groeve Sigrano te Heerlen.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 17
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2004, 93 met annotatie van J.M. Verschuuren
M en R 2004, 71K
JM 2004/76 met annotatie van De Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402424/1.

Datum uitspraak: 15 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

Stichting Behoud Brunssummerheide en Vereniging Milieudefensie, gevestigd te Heerlen,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2004 heeft verweerder goedkeuring verleend aan een wijziging van het werkplan voor de ontgronding en inrichting van de groeve Sigrano te Heerlen.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.

Bij brief van 23 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 april 2004, waar verzoekers, vertegenwoordigd door drs. A.W.M. Ausems en O.A.M. Zerdoner, en verweerder, vertegenwoordigd door R.W.P. van Tol en drs. R.H.J. Pepels, zijn verschenen.

Voorts zijn Sigrano Nederland B.V., vertegenwoordigd door mr. J.L. Stoop en M. Burkard, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landgraaf, vertegenwoordigd door mr. MJ.B. Hanssen, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 7 september 1999 heeft verweerder een ontgrondingsvergunning verleend aan Sigrano Nederland BV (hierna: Sigrano) voor het ontgronden van terreinen gelegen in de gemeenten Landgraaf en Heerlen, grenzend aan de Brunsummerheide. Bij besluit van 10 april 2001 heeft verweerder goedkeuring verleend aan een wijziging van deze vergunning.

Ingevolge voorschrift 4.7. van de vergunning dient de ontgronding te worden uitgevoerd conform het door verweerder goed te keuren werkplan. Ingevolge voorschrift 6.3. van de vergunning dient het werkplan jaarlijks te worden bijgesteld door middel van een door de vergunninghouder in te dienen gedetailleerd werkplan.

Op 8 augustus 2003 heeft verweerder goedkeuring verleend aan het werkplan 2003-2004. Bij besluit van 27 februari 2004 heeft verweerder goedkeuring verleend aan een wijziging van dit werkplan.

2.2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Ontgrondingenwet, voor zover hier van belang, kan tegen een besluit van het college van gedeputeerde staten inzake verlening van een ontgrondingsvergunning, door een belanghebbende beroep worden aangetekend bij de Afdeling. Nu in de vergunning het voorschrift is opgenomen dat de ontgronding dient te worden uitgevoerd conform het door het college van gedeputeerde staten goed te keuren werkplan en hiervan op generlei wijze mag worden afgeweken, komt de goedkeuring van dit werkplan overeen met een besluit waarbij vergunning wordt verleend. Tegen zo’n besluit dient derhalve op dezelfde wijze beroep op de Afdeling open te staan. Omdat op de totstandkoming van een werkplan niet de in de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing is, of is verklaard, dient een belanghebbende, alvorens tegen een besluit omtrent goedkeuring van een werkplan beroep in te stellen bij de Afdeling hiertegen een bezwaarschrift in te dienen bij het college van gedeputeerde staten.

Onder belanghebbende wordt, blijkens artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Bij belangen van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet het gaan om een aan de statutaire doelstelling ontleend collectief belang, dat door een besluit direct wordt of dreigt te worden aangetast, waarbij het belang los kan worden gezien van dat van individuele leden, en waarbij het gaat om de behartiging van boven-individuele belangen.

De Stichting Behoud Brunssummerheide heeft als statutair doel het behoud en de bescherming van de natuur in het algemeen en in het bijzonder die van de Brunsummerheide en daaraan grenzende gebiedsdelen. De Vereniging Milieudefensie heeft als statutair doel het leveren van een bijdrage aan het oplossen van milieuproblemen en het behoud van cultureel erfgoed, alsmede het streven naar een duurzame samenleving op mondiaal, landelijk, regionaal en lokaal niveau, in de meest ruime zin. De Voorzitter is van oordeel dat in deze doelstellingen een collectief belang ligt besloten waarvan de (gemeenschappelijke) behartiging die van individuele belangen te boven gaat. Mitsdien zijn verzoekers, anders dan namens verweerder en Sigrano is gesteld, belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en is het verzoek ontvankelijk.

2.3. Verzoekers stellen dat verweerder ten onrechte de wijziging van het werkplan heeft goedgekeurd. Zij voeren aan dat het werkplan in strijd met voorschrift 4.6. van de vergunning voorziet in de ontgronding van een nieuw gedeelte van het terrein zonder dat het gebied dat reeds aan de oorspronkelijke bestemming is onttrokken is afgewerkt. Voorts voeren zij aan dat het inrichten van depots en het ontgraven van een bestaand depot aan de noordzijde van het terrein, direct grenzend aan het beschermd natuurgebied de Brunssummerheide, zal leiden tot een ingrijpende verstoring van flora en fauna terwijl de werkzaamheden niet noodzakelijkerwijs daar moeten plaatsvinden.

2.4. In voorschrift 4.6. van de vergunning is bepaald dat de ontgronding regelmatig voortgang moet vinden en zodanig moet worden uitgevoerd dat steeds een zo klein mogelijk oppervlak aan de oorspronkelijke bestemming wordt onttrokken dan wel in onafgewerkte toestand verkeert. Ter zitting is door verweerder medegedeeld dat eind 2004 een terreingedeelte ter grootte van ongeveer 10 ha afgewerkt wordt opgeleverd en dat verweerder in overleg met Sigrano onderzoekt welke overige terreinen zo spoedig mogelijk afgewerkt kunnen worden opgeleverd. De Voorzitter is mede gelet hierop van oordeel dat verweerder in het gegeven dat ten tijde van het verzoek tot wijziging van het werkplan 2003-2004 een aanzienlijk gedeelte van het terrein dat aan de oorspronkelijke bestemming is onttrokken in onafgewerkte toestand verkeerde, geen aanleiding heeft behoeven te zien om het werkplan niet goed te keuren.

2.5. Ten aanzien van de tweede grond van het verzoek overweegt de Voorzitter als volgt. Het werkplan voorziet onder meer in de inrichting van depots aan de noordzijde van het terrein, waarvan één depot ter grootte van ongeveer 200.000 m3 direct grenzend aan het natuurgebied de Brunssummerheide. Anders dan verweerder stelt dient bij de vaststelling van een werkplan een afweging plaats te vinden tussen enerzijds de in het kader van de bedrijfsvoering wenselijk geachte activiteiten en anderzijds het natuurbelang. Verweerder heeft niet beoordeeld op welke wijze in het werkplan rekening is gehouden met het belang van het naastgelegen natuurgebied. Niet duidelijk is waarom de depots op de beoogde plaats en in deze omvang dienen te worden aangelegd. De stelling van verweerder dat de aanleg van een depot langs de grenzen van de ontgrondingslocatie verstoring van flora en fauna in de toekomst voorkomt, gaat voorbij aan de te verwachten overlast voor flora en fauna die ontstaat bij de aanleg van de depots.

2.6. De Voorzitter ziet gelet op het voorgaande aanleiding om het besluit van verweerder van 27 februari 2004 te schorsen, voor zover daarbij goedkeuring is verleend voor de aanleg van drie nieuwe depots.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 27 februari 2004, kenmerk 2004/13426, voor zover het betreft de aanleg van drie nieuwe depots in de groeve Sigrano;

II. gelast dat de provincie Limburg aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Voskamp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2004

-370.