Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7992

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
200402271/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2004, kenmerk 03.2270, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd als geregeld in artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402271/1.

Datum uitspraak: 16 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2004, kenmerk 03.2270, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd als geregeld in artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 17 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 april 2004. Daar is verzoekster vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Verweerder is vertegenwoordigd door H.A.M. Vaneker en J.H.A. Horsthuis, ambtenaren van de gemeente. Voorts is daar gehoord [partij].

2. Overwegingen

2.1. De last onder dwangsom, voorzover hier van belang, is opgelegd om het laden en lossen vóór 07.00 uur te beëindigen. Volgens verweerder is laden en lossen vóór dat tijdstip niet mogelijk zonder overtreding van de geluidgrenswaarden die gelden ingevolge voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 bij het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (het Besluit). Laden en lossen vóór dat tijdstip is uitdrukkelijk verboden op grond van de nadere eis van 10 februari 2004. Daarbij gaat verweerder er van uit dat het begrip laden en lossen zo ruim moet worden opgevat, dat daaronder ook af- en aanrijden valt. Volgens hem is er aldus sprake van een overtreding indien de losactiviteiten plaatsvinden na 07.00 uur, maar de lading al voor 07.00 uur wordt aangevoerd.

2.2. Als vaststaand is aan te nemen dat regelmatig vóór 07.00 uur bij de inrichting vrachtwagens aankomen, die vanaf 07.00 uur worden gelost. Er van uitgaande dat het begrip laden en lossen zich niet strikt beperkt tot de feitelijke laad- en losactiviteiten, houdt de Voorzitter het er hier voor dat in die gevallen sprake is van een overtreding, zodat verweerder bevoegd is om daartegen handhavend op te treden.

2.3. De opgelegde last is zodanig geformuleerd, dat aan verzoekster de keuze wordt geboden tussen beëindiging van de overtreding van voorschrift 1.1.1 van het Besluit, dan wel beëindiging van de overtreding van de nadere eis. Verweerder is er vanuit gegaan dat die twee onderdelen van de last wat laden en lossen betreft inhoudelijk hetzelfde zijn en dat, nadat de nadere eis onherroepelijk is, de last zal worden beperkt tot die nadere eis, zonder dat de last daardoor wijzigt. De Voorzitter is er gezien de afwijkende bewoordingen van die onderdelen echter niet van overtuigd dat die onderdelen identiek zijn, zodat het niet buiten twijfel is wanneer er sprake is van een overtreding. De Voorzitter acht dit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, dat vereist dat een besluit niet voor verschillende uitleg vatbaar is. Temeer nu verweerder te kennen heeft gegeven dat de last zal worden aangepast, ziet hij aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening op de onder 3. weergegeven wijze.

2.4. Concluderend dient het verzoek te worden toegewezen.

2.5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal van 12 februari 2004, kenmerk 03.2270, tot zes weken na de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat de schorsing doorloopt indien binnen de beroepstermijn is gevraagd om het treffen van een voorlopige voorziening;

II. gelast dat de gemeente Oldenzaal aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2004

157.