Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7989

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
200402084/1 en 200402086/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 2 februari 2004, kenmerk MW2002.19876, heeft verweerder betreffende de bodemverontreiniging op het perceel [locatie] te [plaats] de ernst en urgentie vastgesteld, respectievelijk ingestemd met het saneringsplan.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2004, 70
JBO 2005/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402084/1 en 200402086/1.

Datum uitspraak: 16 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 2 februari 2004, kenmerk MW2002.19876, heeft verweerder betreffende de bodemverontreiniging op het perceel [locatie] te [plaats] de ernst en urgentie vastgesteld, respectievelijk ingestemd met het saneringsplan.

Tegen deze besluiten hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Bij brief van 9 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen 11 maart 2004, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 5 april 2004. Namens verzoekers is het woord gevoerd door [gemachtigde]. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. D.C.M. Vonk en ir. W. van Hoorn, ambtenaren van de provincie.

2. Overwegingen

2.1. Verzoekers hebben geen gronden aangevoerd ter betwisting van de vastgestelde ernst en urgentie van het geval van bodemverontreiniging. De Voorzitter ziet wat dat besluit betreft dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.2. Verzoekers betogen in essentie dat het saneringsplan onvoldoende rekening houdt met het ter plaatse aanwezige groen. Volgens hen is sanering met behoud van het groen mogelijk. Zij achten de sanering in ieder geval niet aangewezen zolang daarop nog de huidige bestemming “groen bij woningen” rust, temeer niet nu is vastgesteld dat de sanering niet-urgent is. Zij voeren verder aan dat in het saneringsplan ten onrechte geen locatie is opgenomen voor het gronddepot, waardoor verspreiding van verontreinigde grond naar hun tuin niet is uit te sluiten. In dat verband wijzen zij er op dat die tuin lager ligt dan de saneringslocatie en dat de afscheiding daartussen slechts uit gaas bestaat en dus doorlaatbaar is.

2.3. De Voorzitter stelt vast dat het ingediende saneringsplan dient te worden getoetst aan de bepalingen van de Wet bodembescherming, zodat die toetsing zich beperkt tot de aspecten die de bodemkwaliteit betreffen. Of dat plan bij de huidige bestemming en door de aanwezigheid van bomen wel uitvoerbaar is, wordt niet beoordeeld op grond van de Wet bodembescherming. Daarom kunnen die aspecten ook niet leiden tot vernietiging van de instemming met het saneringsplan. Gelet daarop bieden die aspecten hier evenmin aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat door ruimtegebrek op het te saneren perceel daar geen permanent depot kan worden ingericht, maar dat op alle plaatsen waar afgegraven grond in depot zal worden gehouden, afschermende maatregelen zijn voorgeschreven. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat af te graven grond die te zwaar verontreinigd is om ter plaatse te kunnen hergebruiken, direct van het terrein zal moeten worden afgevoerd. Daargelaten in hoeverre de locatie van het gronddepot al vastgelegd dient te worden in het saneringsplan, is de Voorzitter van oordeel dat verweerder in redelijkheid kon volstaan met het voorschrijven van maatregelen die moeten worden getroffen om verspreiding van verontreiniging uit afgegraven grond te voorkomen. De Voorzitter ziet ook wat dit betreft geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. Concluderend dient het verzoek te worden afgewezen.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2004

157.