Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7984

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
200401935/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan schutterij St. Cornelius een vergunning verleend voor het veranderen van een schutterslokaal behorend bij een schietinrichting op het perceel Ittervoorterweg 70h te Weert, kadastraal bekend gemeente Weert, sectie AA, nummer 411. Dit besluit is op 28 januari 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401935/2.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Weert,

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan schutterij St. Cornelius een vergunning verleend voor het veranderen van een schutterslokaal behorend bij een schietinrichting op het perceel Ittervoorterweg 70h te Weert, kadastraal bekend gemeente Weert, sectie AA, nummer 411. Dit besluit is op 28 januari 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 4 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 4 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2004, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 maart 2004, waar verzoeker in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door J. Truijen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij besluit van 30 oktober 2002 heeft verweerder een vergunning voor het veranderen van de inrichting verleend. De Afdeling heeft dit besluit bij uitspraak van 3 december 2003, nummer 200206687/1, vernietigd. Bij onderhavig besluit heeft verweerder, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling, opnieuw een veranderingsvergunning verleend. De vergunning heeft betrekking op een uitbreiding van de activiteiten die plaatsvinden in het schutterslokaal en op een verruiming van de openstelling van het schutterslokaal en het terras.

2.3. Verzoeker stelt dat verweerder voorafgaande aan het nemen van het bestreden besluit ten onrechte geen nieuw ontwerpbesluit heeft genomen.

Op de aan een vernietigd besluit ten grondslag liggende bestuurlijke procedure kan bij het opnieuw voorzien door het bestuur worden teruggevallen, tenzij herstel van de gebreken noopt tot het opnieuw doorlopen van de procedure of tot aanvulling van die procedure, hetgeen hier niet het geval is.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Verzoeker stelt dat verweerder de vergunningaanvraag ten onrechte niet heeft getoetst aan de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Blijkens de tekst van deze VNG-publicatie is zij bedoeld als hulpmiddel voor het opstellen van bestemmingsplannen. De uitgave bevat geen normen voor de beoordeling van een aanvraag om een vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor een afzonderlijk bedrijf. Verweerder heeft deze uitgave derhalve terecht niet bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag betrokken.

2.6. Verzoeker vreest voor een toename van de geluidhinder vanwege de uitbreiding van de activiteiten. Hij betoogt dat de openingstijden van het schutterslokaal en de openstelling van het terras te zeer worden verruimd. Daarnaast stelt hij dat de aanvraag ten onrechte niet is getoetst aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening of de Circulaire industrielawaai. Verder voert hij aan dat de onderhavige veranderingsvergunning de op 26 augustus 1993 verleende vergunning voor dezelfde inrichting op een aantal onderdelen overlapt, dan wel daarmee in strijd is. Hierdoor gelden verschillende geluidvoorschriften voor dezelfde activiteiten, aldus verzoeker. Tot slot is hij van mening dat de reeds ondervonden geluidhinder vanwege het schietlawaai ten onrechte niet bij de besluitvorming is betrokken.

2.6.1. De Afdeling zal eerst bij behandeling van de zaak in de bodemprocedure een definitief oordeel kunnen geven over de toelaatbaarheid van de uitbreiding van de activiteiten en de verruimde openstelling van het schutterslokaal en het terras in relatie tot de daarmee samenhangende geluidaspecten. Daarvoor is nader onderzoek nodig waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. De aard van de vergunde activiteiten en het incidentele karakter daarvan in aanmerking genomen en gelet op de aan de vergunning verbonden voorschriften, ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure moet worden gevreesd voor zodanige geluidhinder vanwege de onderhavige uitbreiding dat hierin, gelet op de betrokken belangen, aanleiding zou moeten worden gevonden tot het inwilligen van het verzoek om voorlopige voorziening.

2.7. Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Fransen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

407.