Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7978

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
200305767/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 3 november 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vergunning verleend ingevolge de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: de APV) voor het maken van een uitweg naar de openbare weg, grenzend aan het perceel Catharina van Renneslaan, onderscheidenlijk een uitweg naar de openbare weg, grenzend aan het perceel Wisseloordlaan te Hilversum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305767/1.

Datum uitspraak: 21 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Wijkvereniging De Parken en [appellant], gevestigd respectievelijk wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilversum.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 3 november 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vergunning verleend ingevolge de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: de APV) voor het maken van een uitweg naar de openbare weg, grenzend aan het perceel Catharina van Renneslaan, onderscheidenlijk een uitweg naar de openbare weg, grenzend aan het perceel Wisseloordlaan te Hilversum.

Bij besluit van 3 juli 2001 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2003, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 27 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 januari 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. A.J.F. de Jager, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.T. van der Meer ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. M.B. Koetser, advocaat te Amsterdam, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.1.4.3., eerste lid, aanhef en onder a, van de APV is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een uitweg te maken naar de openbare weg.

Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dit luidde ten tijde van de beslissing op bezwaar, kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd, indien de uitweg gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan.

2.2. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de door het college uitgevoerde onderzoeken die aan de beslissing op bezwaar ten grondslag liggen, te beperkt zijn. Er ontstaat door de uitritten ernstig gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers in het gebied, dat bestaat uit woonstraten met bejaarden en spelende kinderen. Het college heeft de verkeersveiligheid onvoldoende in de overwegingen betrokken, aldus appellanten.

2.3. Dit betoog faalt.

Het college heeft zich bij het verlenen van de in de beslissing op bezwaar gehandhaafde uitwegvergunningen gebaseerd op een advies van het ambtelijk adviesorgaan “Vliegende Brigade” van 26 september 2000. In dit orgaan zijn de dienst Gemeentewerken, de dienst Stadsontwikkeling en de regiopolitie Gooi en Vechtstreek vertegenwoordigd. Volgens het advies bestaan tegen de uitwegen geen verkeerskundige bezwaren. Gezien de samenstelling van dit adviesorgaan en de voorgenomen invoering van een 30 kilometerzone in het woongebied, kan niet worden gezegd dat het college bij de beslissing op bezwaar de verkeersveiligheid onvoldoende in de overwegingen heeft betrokken. Appellanten hebben hun stelling ook niet met een deskundig rapport onderbouwd.

Uit de beslissing op bezwaar blijkt voorts dat de door appellanten als alternatieve ontsluitingsweg genoemde ’s-Gravelandseweg een hoofdweg is, terwijl de Catharina van Renneslaan, waar de ingang van de parkeergarage is gelegen, en de Wisseloordlaan woonstraten zijn. Voor een beoordeling van een veilig en doelmatig gebruik van de weg heeft het college het beleid gehanteerd zoals verwoord in de nota’s “Plan Wegen” en “Verder met wegen”. In die nota’s wordt benadrukt dat de doorstroming op het hoofdwegennet voorop staat en dat er geen maatregelen mogen worden genomen die deze doorstroming belemmeren. Gelet op dit beleid is de keuze in de beslissing op bezwaar voor de Catharina van Renneslaan en de Wisseloordlaan als ontsluitingsweg in plaats van de ’s-Gravelandseweg niet onredelijk.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanig gevaar voor de bruikbaarheid van de weg of voor een doelmatig en veilig gebruik daarvan dat de vergunningen ingevolge de APV hadden moeten worden geweigerd.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2004

58-429.