Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
200400533/3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2003 heeft verweerder verzoekster een last onder dwangsom opgelegd als geregeld in artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de aanwezigheid van een ondergrondse opslagtank.

Wetsverwijzingen
Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998
Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/38
JBO 2005/238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400533/3.

Datum uitspraak: 16 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging van eigenaars [locatie sub 1], [locatie sub 2]”, gevestigd te Haarlem,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2003 heeft verweerder verzoekster een last onder dwangsom opgelegd als geregeld in artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de aanwezigheid van een ondergrondse opslagtank.

Bij besluit van 14 januari 2004 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 20 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen diezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 april 2004. Verzoekster is vertegenwoordigd door mr. J.F. Verheijen en M.A.M. Augustijn, gemachtigden. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. L.E.A.M. Grapperhaus en R.O. Rösingh, ambtenaren van de gemeente.

Voorts is [partij] daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De aan verzoekster opgelegde last onder dwangsom strekt tot het verwijderen van een ondergrondse opslagtank op grond van artikel 18 van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 (hierna: BOOT).

2.3. Verzoekster stelt primair dat zij niet de eigenaar van de opslagtank is, zodat de last onder dwangsom ten onrechte tot haar is gericht. Verder is zij van mening dat vanwege de ligging van de tank de verwijdering daarvan redelijkerwijs niet kan worden gevergd, zodat ter voldoening aan BOOT kan worden volstaan met afvullen van de tank overeenkomstig artikel 18, vierde lid, BOOT.

2.4. Naar het oordeel van de Voorzitter leent deze procedure zich niet voor een beantwoording van de vraag of de opslagtank in de tuin van één van de appartementen eigendom is van de eigenaar van het desbetreffende appartement of van de gemeenschappelijke appartementseigenaren (en dus van verzoekster). Bij de behandeling van het beroep van verzoekster zal de Afdeling op dit punt definitief uitsluitsel geven. De Voorzitter zal trachten een spoedige behandeling van dat beroep te bewerkstelligen.

2.5. Blijkens de uitspraak van de Voorzitter van 20 juni 2003, nummer 200302503/1, gedaan hangende het bezwaar van verzoekster tegen de last onder dwangsom van 7 april 2003, boden de feiten en omstandigheden van dit geval de Voorzitter destijds onvoldoende grond om aan te nemen dat de opslagtank op een betrekkelijk eenvoudige wijze is te verwijderen. Hetgeen partijen nu naar voren hebben gebracht op dit punt, doet niet wezenlijk toe of af aan dat oordeel.

2.6. Aangezien de geschilpunten of en door wie de tank moet worden verwijderd in deze procedure onvoldoende kunnen worden beoordeeld, ziet de Voorzitter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening op de hieronder in het dictum aangegeven wijze.

2.7. Verweerder dient te worden veroordeeld in de proceskosten.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem van 14 januari 2004, CS/bo/03/704;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Haarlem te worden betaald aan verzoekster;

III. gelast dat de gemeente Haarlem aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2004

157.