Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7967

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
200307873/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein het uitwerkingsplan Zenderpark III West "Het Staatse (fase 2a en 2b gedeeltelijk)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200307873/2.

Datum uitspraak: 16 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein het uitwerkingsplan Zenderpark III West "Het Staatse (fase 2a en 2b gedeeltelijk)" vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 30 september 2003, nr. 2003REG002464i beslist over de goedkeuring van dit uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoeker bij brief van 3 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 december 2003.

Bij eerstgenoemde brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 maart 2004, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. E.A. Wentink-Quelle, en verweerder, vertegenwoordigd door F.L.H.G. Assmann, zijn verschenen.

Voorts is het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein, vertegenwoordigd door ing. B. Sondermeijer, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in een uitwerking van het bestemmingsplan “Zenderpark”, dat is goedgekeurd door verweerder bij besluit van 25 februari 1993. Het uitwerkingsplan heeft betrekking op het noordwestelijk gedeelte van het plangebied van het bestemmingsplan “Zenderpark” en geeft een planologische regeling voor de woningen en voorzieningen in dit gebied.

2.3. Verzoeker is eigenaar van de woning met praktijkruimte op het perceel [locatie]. Hij stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Groen en verblijfsdoeleinden” voor de gronden gelegen tussen de Groen van Prinstererweg en de Baronielaan. Hij voert aan dat deze bestemming te globaal is en de doeleindenomschrijving die behoort bij de bestemming “Groen en verblijfsdoeleinden” een veelheid van functies mogelijk maakt die niet of onvoldoende objectief zijn begrensd en die niet zijn afgestemd op de aanwezigheid van zijn woning met tuin en praktijkruimte. Volgens verzoeker is het uitwerkingsplan in zoverre in strijd met de uitwerkingsregels van artikel 6, eerste lid, aanhef, en sub a, al dan niet in samenhang met artikel 7, aanhef, en sub 5 van de voorschriften behorend bij het bestemmingsplan “Zenderpark”.

2.4. In het bestemmingsplan “Zenderpark” is aan de in geding zijnde gronden de uit te werken bestemming “Wonen I” toegekend. Volgens de doeleindenomschrijving die behoort bij deze bestemming zijn deze gronden bestemd voor een woonwijk en de daarbij behorende voorzieningen op wijkniveau. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Zenderpark” worden in verband met deze bestemming onder meer toelaatbaar geacht: woningen al dan niet met praktijkruimte, tuinen, erven, bouwwerken geen gebouw zijnde, wegen, paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelterreinen en water. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften van het uitwerkingsplan zijn gronden met de bestemming “Groen en verblijfsdoeleinden” bestemd voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, ontsluiting en verblijf.

2.5. De Voorzitter stelt vast dat de in het uitwerkingsplan aan de in geding zijnde gronden toegekende bestemming “Groen en verblijfsdoeleinden” past binnen de in het bestemmingsplan “Zenderpark” aan deze gronden toegekende bestemming. De Voorzitter ziet geen grond voor de verwachting dat in de bodemprocedure de bestemming in het uitwerkingsplan niet in voldoende mate gedetailleerd en begrensd zal worden geoordeeld en dat het standpunt van verzoeker dat het uitwerkingsplan in zoverre in strijd is met de uitwerkingsregels in het bestemmingsplan “Zenderpark” zal worden gedeeld.

In het inrichtingsplan van 18 mei 2000 zijn de in het geding zijnde gronden ingetekend als skateplein. De Voorzitter stelt vast dat het uitwerkingsplan de aanleg van een dergelijke voorziening op deze gronden mogelijk maakt. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de Voorzitter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de aanleg van een skateplein zal leiden tot onaanvaardbare beperkingen in het gebruik van zijn woning en praktijkruimte, en verweerder om die reden goedkeuring aan het plan had moeten onthouden.

2.6. De Voorzitter ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Voskamp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2004

370.