Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7954

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
200305229/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals die wet gold vóór 3 april 2000 (hierna: de WRO), aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een distributiecentrum op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te Enschede, kadastraal bekend gemeente Lonneker, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305229/1.

Datum uitspraak: 21 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 26 juni 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals die wet gold vóór 3 april 2000 (hierna: de WRO), aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een distributiecentrum op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te Enschede, kadastraal bekend gemeente Lonneker, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 26 juli 1999 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 mei 2000 heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd.

Bij uitspraak van 5 december 2001 heeft de Afdeling het daartegen door het college en [vergunninghouder] ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank van 10 mei 2000 bevestigd.

Bij besluit van 13 mei 2002 heeft het college het tegen het besluit van 20 januari 1999 door appellant gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard, doch dit besluit in verband met nieuwe feiten en omstandigheden gehandhaafd.

Bij uitspraak van 26 juni 2003, verzonden op die dag, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 19 september 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 december 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2004, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. IJsseldijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door W. van de Brink, bijgestaan door mr. F.P.J.M. Otten, advocaat te Utrecht, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij het besluit van 13 mei 2002 heeft het college geanticipeerd op het toen inmiddels door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan “Distributiecentrum, fase III”, waarmee het bouwplan in overeenstemming is.

2.2. Het betoog van appellant dat de beslissing op bezwaar voor vernietiging in aanmerking komt, omdat aan dit bestemmingsplan nadien door de Afdeling goedkeuring is onthouden, faalt. De rechtmatigheid van de beslissing op bezwaar moet worden beoordeeld naar het tijdstip, waarop deze werd genomen.

2.3. Appellant kan evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat het college bij de nieuwe beslissing op bezwaar geen gebruik kon maken van de op 7 oktober 1998 verleende verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten.

Anders dan appellant betoogt, zijn het besluit van 20 januari 1999 en bedoelde verklaring van geen bezwaar niet getroffen door de vernietiging van de beslissing op bezwaar van 26 juli 1999. Nu het planologisch inzicht met betrekking tot het onderhavige perceel niet was gewijzigd, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college bij het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar nog steeds van deze verklaring gebruik kon maken.

2.4. Uit het voorgaande volgt dat aan de wettelijke vereisten voor de toepassing van de anticipatieprocedure was voldaan, zodat het college vrijstelling en bouwvergunning kon verlenen.

2.5. Geen toepassing mag worden gegeven aan artikel 19 van de WRO, indien er ten tijde van de beslissing op bezwaar redelijkerwijze ernstig aan moet worden getwijfeld dat het plan, waarop wordt geanticipeerd, op het van belang zijnde onderdeel rechtskracht zal verkrijgen.

Niet is gebleken dat daarvan in dit geval sprake is. Anders dan appellant heeft betoogd, is het oordeel van de rechtbank dat het college met dit bestemmingsplan beschikte over een voldoende planologisch toetsingskader derhalve juist.

2.6. Onder deze omstandigheden en gezien het gebrek aan opslagruimte bij [vergunninghouder] heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in redelijkheid de bij besluit van 20 januari 1999 verleende vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan niet heeft kunnen handhaven.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2004

71-429.