Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7940

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
200304760/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 31 juli 2002, no. 200201074/1, heeft de Afdeling het hoger beroep van [wederpartij] gegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen van 10 januari 2002 vernietigd. Voorts heeft de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen (hierna te noemen: het college), strekkend tot ongegrondverklaring van het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 14 augustus 2001, waarbij het college heeft geweigerd handhavend op te treden tegen de feitelijke bedrijfsactiviteiten van appellant, vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304760/1.

Datum uitspraak: 21 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 29 mei 2003 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 31 juli 2002, no. 200201074/1, heeft de Afdeling het hoger beroep van [wederpartij] gegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen van 10 januari 2002 vernietigd. Voorts heeft de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen (hierna te noemen: het college), strekkend tot ongegrondverklaring van het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 14 augustus 2001, waarbij het college heeft geweigerd handhavend op te treden tegen de feitelijke bedrijfsactiviteiten van appellant, vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen.

Naar aanleiding van de uitspraak heeft het college bij besluit van 29 oktober 2002 het bezwaar van [wederpartij] wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 mei 2003, verzonden op 11 juni 2003, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van de uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij telefax-bericht van 18 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 oktober 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Op 11 november 2003 is een reactie van [wederpartij] ontvangen.

Het college heeft bij brief van 23 november 2003 hierop gereageerd.

Bij besluit van 30 september 2003, no. 03-17.325-BOWO/HP, heeft het college het bezwaar van [wederpartij] gegrond verklaard en het besluit tot weigering handhavend op te treden van 14 augustus 2001 herroepen. Voorts heeft het college appellant gelast uiterlijk op 1 juli 2004 de bedrijfsvoering op het perceel, kadastraal bekend gemeente Hoogeveen, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] tegenover nummer […] in [plaats] in overeenstemming te brengen met de bij besluit van 26 maart 1999 verleende vrijstelling en het strijdige gebruik (groothandelsactiviteiten) te beëindigen, onder aanzegging van een dwangsom van € 16.000,00 per maand met een maximum van € 192.000,00.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 november 2003 beroep ingesteld bij de rechtbank Assen, welke rechtbank het beroep aan de Afdeling heeft doorgezonden met het verzoek artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.

Het tegen dit besluit bij brief van 11 november 2003 ingediende bezwaar heeft het college aan de Afdeling doorgezonden met het verzoek bedoeld artikel 6:19 toe te passen.

De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 december 2003.

Deze brieven zijn aangehecht.

Op 3 februari 2004 is een reactie van [wederpartij] ontvangen.

Bij brief van 11 februari 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. D. Broersma, advocaat te Zutphen, en het college, vertegenwoordigd door L. Benning, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is [wederpartij] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Appellant betoogt dat de overweging van de rechtbank, dat het gedoogbesluit niet afdoet aan de handhavingsplicht, er aan voorbij gaat dat het niet alleen om het gedoogbesluit van 5 maart 2002 gaat, maar om het geheel van afspraken over en weer tussen het college, [wederpartij] en hemzelf.

Voorts betoogt appellant dat hij substantiële investeringen heeft gedaan, vertrouwend op de resultaten van het onderlinge overleg.

2.2. Dit betoog faalt. De omstandigheid dat, naar appellant stelt, tussen alle betrokkene partijen afspraken zijn gemaakt, laat onverlet dat de belanghebbende derden hun verzoek om op te treden tegen de bestaande illegale situatie onverminderd hebben gehandhaafd. Hierbij wordt opgemerkt dat, zo blijkt ook uit de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de tussen partijen gemaakte afspraken met name betrekking hadden op de milieuhygiënische aspecten van de bedrijfsvoering van appellant. Voorts blijkt uit de stukken alsmede uit het verhandelde ter zitting dat van de zijde van de belanghebbende derden nimmer is aangegeven dat zij zich kunnen verenigen met de (planologische) vestiging van het bedrijf ter plaatse.

De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat in de gestelde omstandigheden geen aanleiding wordt gevonden een bijzonder geval aanwezig te achten op grond waarvan van handhavend optreden moest worden afgezien.

De omstandigheid dat appellant op basis van de gestelde afspraken substantiële investeringen zou hebben gedaan, wat hiervan overigens zij, heeft de rechtbank in verband met het vorenstaande terecht evenmin als een zodanige bijzondere omstandigheid aangemerkt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Ingevolge artikel 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van het college van 30 september 2003.

2.5. Appellant betoogt dat sinds de uitspraak van de rechtbank van

29 mei 2003 sprake is van gewijzigde omstandigheden, aangezien een procedure als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is opgestart ten einde de bedrijfsvestiging ter plaatse te legaliseren.

2.6. Dit betoog slaagt niet. Op grond van de stukken alsmede het verhandelde ter zitting staat vast dat ten tijde van het bestreden besluit van het college van 30 september 2003 nog geen concreet zicht op legalisering bestond.

Hoewel van de zijde van het college is aangegeven dat de vestiging van een groothandel in kweek- en siergewassen past binnen de nota “Structuurvisie Detailhandel Hoogeveen” en dat de intentie bestaat het bedrijf van appellant als zodanig in de herziening van het bestemmingsplan op te nemen, moet worden vastgesteld dat ten tijde van het bestreden besluit, nog geen ontwerp-bestemmingsplan in procedure was gebracht. Weliswaar geven de van de zijde van het college overgelegde stukken er blijk van dat het door de gemeente voorgestane beleid door ambtenaren van de provincie Drenthe wordt ondersteund, daaruit blijkt echter niet dat het bevoegd gezag voornemens is in te stemmen met een positieve bestemming van het groothandelsbedrijf van appellant ter plaatse.

Voorts is niet gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit van

30 september 2003 een procedure als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening was opgestart.

2.7. Appellant betoogt voorts dat niet duidelijk is op welke wijze aan de last kan worden voldaan. Ook dit betoog faalt. Uit het besluit van

30 september 2003 blijkt naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk wat van appellant wordt verlangd, te weten het staken en gestaakt houden van de groothandelsactiviteiten op het perceel vóór 1 juli 2004.

2.8. Tot slot betoogt appellant dat de hoogte van de dwangsom en de maximumdwangsom onevenredig hoog zijn in verhouding tot de overtreding.

Mede gelet op de stukken alsmede het verhandelde ter zitting, bestaat geen grond voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

2.9. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant tegen het besluit van het college van 30 september 2003 ongegrond is.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van burgemeester en

wethouders van Hoogeveen van 30 september 2003,

no. 03.17.325-BOWO/HP, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2004

328.