Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7926

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
200303631/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) met verlening van vrijstelling van de artikelen 2.5.8, eerste lid, onder d, 2.5.15, lid b en 2.5.30, zesde lid, onder a, van de ter plaatse geldende Bouwverordening bouwvergunning verleend aan [vergunninghoudster] voor de bouw van negen appartementen aan de [locatie], te Breda, kadastraal bekend gemeente Breda, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2004/908
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303631/1.

Datum uitspraak: 21 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E]allen wonend te [woonplaats], en de Stichting Actiecomité Belcrum, gevestigd te Breda,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 april 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) met verlening van vrijstelling van de artikelen 2.5.8, eerste lid, onder d, 2.5.15, lid b en 2.5.30, zesde lid, onder a, van de ter plaatse geldende Bouwverordening bouwvergunning verleend aan [vergunninghoudster] voor de bouw van negen appartementen aan de [locatie], te Breda, kadastraal bekend gemeente Breda, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 februari 2002 heeft het college de daartegen gemaakte bezwaren gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 april 2003, verzonden op 21 april 2003, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 28 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 29 juli 2003 heeft vergunninghoudster een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door [appellant A], vergezeld van [gemachtigde] en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door F.A.C. Kanters, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar de vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. H.D.Cotterell, advocaat te Breda, bijgestaan door [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant E] heeft geen beroep ingesteld tegen het bij de rechtbank bestreden besluit. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat dit haar redelijkerwijs niet kan worden verweten. Zij kan daarom, gelet op artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geen hoger beroep instellen. Het hoger beroep, voor zover het is ingesteld door [appellant E], is derhalve niet-ontvankelijk.

2.2. Appellanten hebben ter zitting het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte het bezwaarschrift niet-ontvankelijk heeft verklaard, voor zover het is ingediend door de omwonenden die buiten een straal van 100 meter van het bouwplan wonen, ingetrokken. Dat betoog behoeft hier dan ook geen verdere bespreking. De intrekking leidt er toe dat in hoger beroep alleen nog [appellant A] en de Stichting Actiecomité Belcrum als appellanten overblijven.

2.3. Het bouwplan voorziet in de bouw van een hoekpand bestaande uit vier verdiepingen ten behoeve van negen appartementen. Blijkens het bouwplan zal het bouwwerk een hoogte hebben van 13,8 meter en wordt het aan de twee straatzijden grotendeels gebouwd grenzend aan het trottoir. Het bouwplan voorziet voorts in drie raamkozijnen die daar 35 cm overheen steken.

2.4. De rechtbank heeft zich bij de beoordeling van het besluit op bezwaar terecht beperkt tot de vraag of ingevolge artikel 44 van de Woningwet een grond bestond om de vergunning te weigeren. De vermeende nalatigheid van het college, het brede verzet tegen het bouwplan en de vermeende criminele aspecten in de ontstaansgeschiedenis van de bouw zijn in dit verband niet relevant.

2.5. Ter plaatse geldt geen bestemmingsplan. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de bouwaanvraag moet worden getoetst aan de stedenbouwkundige bepalingen van de bouwverordening van de gemeente Breda.

2.6. Het betoog van appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de voorgevelrooilijn aan de Vinkstraat in het onderhavige geval aan het trottoir is gelegen, faalt. De rechtbank heeft daarbij terecht waarde gehecht aan het feit dat hier sprake is van een hoekpand, dat andere hoekpanden in dezelfde wijk op een zelfde wijze zijn gesitueerd, dat het naastgelegen pand aan de Vinkstraat eveneens aan het trottoir is gelegen en dat het voorheen bestaande pand ten tijde van inwerkingtreding van de bouwverordening ook aan het trottoir was gesitueerd. De verleende vrijstelling heeft betrekking op de drie raamkozijnen, die de voorgevelrooilijn overschrijden. Daartegen hebben appellanten geen bezwaar gemaakt.

2.7. Appellanten betogen evenzeer tevergeefs dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.24, eerste lid, van de Bouwverordening. Onbetwist is dat het bouwplan voorziet in een gebouw met een hoogte van 13,8 meter. Nu ingevolge artikel 2.5.24 gebouwd mag worden tot een hoogte van 15 meter heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bouwplan aan dat voorschrift voldoet.

2.8. Ook het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling kon verlenen van het bepaalde in artikel 2.5.15 van de Bouwverordening treft geen doel. Dat bij het onderhavige hoekpand rekening dient te worden gehouden met het bestaan van twee voorgevelrooilijnen staat er niet aan in de weg dat de rechtbank in navolging van het college heeft mogen aannemen dat, zoals dit ook is aangegeven op het bouwplan, de voorgevel van het onderhavige pand is gelegen aan de zijde van de Speelhuislaan en de achtergevel aan de daar tegenoverliggende zijde. Aldus bezien zou zonder het verlenen van vrijstelling van het bepaalde in artikel 2.5.15, eerste lid, van de Bouwverordening gemeten vanuit het uiterste gedeelte van de achtergevel van het gebouw een erf aanwezig moeten zijn met een diepte van 5 meter en een oppervlakte van ongeveer 65 m2. Onbetwist is dat niet wordt voldaan aan de voorgeschreven diepte van 5 meter gerekend vanuit het uiterste gedeelte van de achtergevel. Vast staat echter dat de totale oppervlakte van het aan de achterzijde van het gebouw gelegen erf meer bedraagt dan 65 m2. De rechtbank heeft, gelet op de situering en totale omvang van het erf, terecht overwogen dat, nu is voldaan aan de voorwaarde dat een andere gunstige indeling van het erf mogelijk is, het college bevoegd was om vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 2.5.15, eerste lid van de Bouwverordening. Voorts heeft zij terecht geoordeeld dat er geen grond aanwezig is voor het oordeel dat het college in het onderhavige geval deze vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

2.9. Appellanten betogen voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college, gelet op de in de gemeentelijke nota “navigeren in parkeren” neergelegde parkeernormen niet in redelijkheid vrijstelling kon verlenen van het bepaalde in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college in dit geval niet in redelijkheid kon afgaan op het onderzoek dat het heeft laten instellen naar het feitelijk aantal beschikbare parkeerplaatsen in de directe omgeving. Daarbij is van belang dat in vergelijking met de voorheen bestaande situatie de parkeerbehoefte met slechts enkele plaatsen is toegenomen.

2.10. Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het college de bouwvergunning in strijd met artikel 9 van de Bouwverordening heeft verleend, treft evenmin doel.

Gelet op het bepaalde in artikel 44, aanhef en onder d, van de Woningwet in samenhang met artikel 12, eerste lid, van die wet staat slechts ter beoordeling de vraag of burgemeester en wethouders in redelijkheid hebben kunnen oordelen dat het bouwwerk in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Burgemeester en wethouders mogen, hoewel zij niet aan een welstandsadvies zijn gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hen berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat burgemeester en wethouders dit niet – of niet zonder meer - aan hun oordeel omtrent de welstand ten grondslag hebben mogen leggen.

Appellanten hebben voorafgaand aan het besluit op bezwaar geen advies van een deskundige overgelegd op grond waarvan het welstandsadvies nadere motivering zou behoeven. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat er ook overigens geen sprake was van omstandigheden op grond waarvan het college van het welstandsadvies diende af te wijken.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep, voorzover het is ingesteld door [appellant E], niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder , ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Lodder

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2004

17-397.