Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7916

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
200303488/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2001 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Staatssecretaris) een door appellante verzochte verlenging van de geldigheidstermijn van een aan haar verleende vergunning, als bedoeld in artikel 17 van de bij die vergunning behorende voorschriften, voor onbepaalde tijd, doch in ieder geval tot 30 juni 2005, geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 202 met annotatie van A. van Hall
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303488/1.

Datum uitspraak: 21 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Installatiemaatschappij Zeeegel B.V.", gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2001 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Staatssecretaris) een door appellante verzochte verlenging van de geldigheidstermijn van een aan haar verleende vergunning, als bedoeld in artikel 17 van de bij die vergunning behorende voorschriften, voor onbepaalde tijd, doch in ieder geval tot 30 juni 2005, geweigerd.

Bij besluit van 27 maart 2002 heeft de Staatssecretaris, voorzover thans van belang, het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 april 2003, verzonden op 24 april 2003, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 augustus 2003 heeft de stichting "Stichting De Noordzee" een reactie ingediend.

Bij brief van 29 augustus 2003 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.B.H. Assink, advocaat te Amsterdam, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te 's-Gravenhage, drs. H. Kersten en drs. E.J.A. van der Boom, ambtenaren ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (hierna: de Wbr) is het verboden zonder vergunning van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat gebruik te maken van een waterstaatswerk door anders dan waartoe het is bestemd daarin, daarop, daaronder of daarover werken te maken of te behouden. Ingevolge het tweede artikellid kan een vergunning onder beperkingen worden verleend en kunnen aan een vergunning voorschriften worden verbonden.

Ingevolge artikel 1 van de Wet installaties Noordzee (hierna: de WiN) worden in deze wet onder installaties ter zee verstaan: installaties opgericht buiten de territoriale wateren op de bodem van het deel van de Noordzee waarvan de grenzen samenvallen met die van het aan Nederland toekomende gedeelte van het continentale plat.

Ingevolge artikel 3 van de WiN gelden op en met betrekking tot installaties ter zee de daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen Nederlandse wettelijke voorschriften.

Bij Koninklijk Besluit van 20 september 1999 is, gelet op de artikelen 3 en 5 van de WiN, het Interimbesluit vergunningplicht installaties ter zee (Stb. 1999, 412; hierna: het Interimbesluit) in werking getreden.

Ingevolge artikel 1 van het Interimbesluit, voorzover thans van belang, zijn de artikelen 2, 3, 5, eerste en derde lid, en 7 van de Wbr van toepassing met betrekking tot installaties ter zee in de zin van de WiN.

2.2. Bij besluit van 30 juni 2000 heeft de Staatssecretaris aan appellante op grond van artikel 2 van de Wbr in samenhang met artikel 1 van het Interimbesluit vergunning verleend voor het instandhouden, onderhouden en verwijderen van een zendinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat op positie 51°40'27" noorderbreedte en 02°59'47" oosterlengte ten behoeve van radio-uitzendingen op de lange golf, frequentie 171 KHz, door "Delta Radio 171 B.V.".

Bij besluit van 15 november 2000 is het daartegen door de Stichting gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en is een aantal aan de vergunning verbonden voorschriften gewijzigd.

In het gewijzigde artikel 17 van de aan de vergunning verbonden voorschriften is inzake de geldigheid van de vergunning het volgende, voorzover thans van belang, bepaald:

1. deze vergunning vervalt indien op 1 januari 2002 het werk niet wordt in stand gehouden;

2. vóór het vervallen van de vergunning kan de vergunninghouder een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning indienen bij het bevoegd gezag;

3. het bevoegd gezag beslist uiterlijk binnen 8 weken na de datum van het verzoek tot verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning, dan wel tot het intrekken daarvan.

2.3. De vergunning is in rechte onaantastbaar geworden.

2.4. Vast staat dat appellante op 1 januari 2002 de zendinstallatie niet in stand hield, zodat de vergunning op die datum is vervallen. Vast staat voorts dat in de periode tussen de datum van de vergunningverlening en 1 januari 2002 appellante geen aanvang heeft gemaakt met de oprichting en instandhouding van de zendinstallatie.

2.5. Appellante betoogt dat de Staatssecretaris ten onrechte heeft geweigerd de geldigheidstermijn van de vergunning te verlengen. Zij voert daartoe meerdere gronden aan, waaromtrent de Afdeling het volgende overweegt.

2.6. Kort na de vergunningverlening, op 30 juni 2000, is nieuwe regelgeving terzake tot stand gekomen en in werking getreden. Op basis van deze regelgeving zou de oprichting en de instandhouding van de zendinstallatie niet zonder indringende toetsing aan nut en noodzaak, gelet op de grote natuurbelangen op de Noordzee, kunnen plaatsvinden. Een nieuwe vergunning heeft appellante, zo is ter zitting gebleken, niet aangevraagd.

Gelet op de stukken, vooral de tussen appellante en de Staatssecretaris gevoerde correspondentie, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het tweede lid van artikel 17 van de aan de vergunning verbonden voorschriften is bedoeld om appellante te dwingen vóór 1 januari 2002 de zendinstallatie op te richten en in stand te houden en niet om appellante de mogelijkheid te bieden dit nog enkele jaren uit te stellen. Verlenging is volgens de rechtbank, gelet op die stukken, dan ook slechts mogelijk wanneer de oprichting van de zendinstallatie, door buiten de macht van appellante gelegen onvoorziene omstandigheden, als bijvoorbeeld een vertraging in de bouw te wijten aan extreme weersomstandigheden, niet tijdig zou kunnen worden voltooid.

Van onvoorziene omstandigheden, als hiervoor bedoeld, voor het nog niet oprichten en in stand houden van de zendinstallatie is niet gebleken. Appellante heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat zo'n omstandigheid aan de orde is; weliswaar stelt zij dat zij de bouw heeft uitgesteld in verband met een nog lopende bezwaarprocedure, maar deze omstandigheid kan niet als een buiten de macht van appellante gelegen onvoorziene omstandigheid worden aangemerkt.

2.7. Appellante betoogt dat van de kant van de Staatssecretaris de toezegging is gedaan dat, wanneer zij om verlenging van de geldigheidstermijn zou vragen, dit verzoek ongeacht de omstandigheden zou worden ingewilligd. Zij betoogt voorts dat de Staatssecretaris de beslissing op bezwaar terzake gebrekkig heeft gemotiveerd.

Dat de voormelde toezegging is gedaan, is door appellante geenszins aannemelijk gemaakt. Bovendien wordt het bestaan van een dergelijke toezegging uitdrukkelijk door de Staatssecretaris betwist. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat niet is gebleken van een rechtens te honoreren verwachting in dit verband. Het voormelde betoog inzake een gebrekkige motivering kan reeds hierom geen doel treffen.

2.8. Voorzover appellante opkomt tegen de tijdelijkheid van de oprichtingstermijn als vastgelegd in de vergunning, wordt overwogen dat deze vergunning onherroepelijk en thans niet in geding is. Het betoog kan derhalve niet slagen.

2.9. Het betoog van appellante dat de Staatssecretaris de beslissing op bezwaar gebrekkig heeft gemotiveerd, omdat onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen, kan evenmin slagen. De Staatssecretaris heeft in de beslissing op bezwaar immers een uitgebreide afweging gemaakt van de ter zake doende belangen, waaronder die van appellante. De beslissing op bezwaar is dan ook van een deugdelijke motivering voorzien, als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Van strijd met artikel 3:27 van de Awb in dit verband is, in tegenstelling tot hetgeen appellante nog betoogt, geen sprake, omdat ten behoeve van de voorbereiding van het thans in geding zijnde besluit niet de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is gevolgd, als bedoeld in Afdeling 3.5 van de Awb, van welke afdeling artikel 3:27 deel uitmaakt.

2.10. Appellante betoogt voorts nog dat het in de beslissing op bezwaar gehandhaafde besluit onrechtmatig is, omdat geen schadevergoeding is toegekend. Het besluit is volgens haar derhalve in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.

Daargelaten dat dit betoog, omdat het eerst in hoger beroep naar voren is gebracht en gebleken noch aannemelijk is gemaakt dat dit niet eerder kon geschieden, niet kan worden betrokken in de beoordeling van de aangevallen uitspraak, heeft appellante zelf door niet tijdig een aanvang te maken met de oprichting en instandhouding van de zendinstallatie het risico genomen dat zij dientengevolge schade zou kunnen lijden. Deze schade, zo aanwezig, heeft de Staatssecretaris dan ook niet ten onrechte ten laste van appellante gelaten.

2.11. De rechtbank is, gelet op het vorenoverwogene, terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de Staatssecretaris heeft kunnen weigeren de geldigheidstermijn van de vergunning te verlengen.

2.12. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2004

164-424.